Onderwerpen: Natuur

  • Wordt de octopus het volgende slachtoffer van de bioindustrie?

    Wordt de octopus het volgende slachtoffer van de bioindustrie?

    De octopus is een schepsel met vele geheimen. Hij is intelligent, koppig – en totaal anders dan mensen. Maar het ziet ernaar uit dat het weekdier binnenkort hetzelfde doel zal dienen als zovele dieren voor hem: dat van grondstof voor de industriële massaproductie van vlees.

    Choco Frito is de Portugese versie van fish and chips. Het ligt in vette stapels op het bord van Lucas Martins. Rechts de reepjes gesneden aardappelen, links stukjes gesneden en gefrituurde inktvis. Een uur geleden hield Lucas op de bodem van de zee zijn korte, brede vingers naast de altijd kronkelende tentakels van een octopus, in de hoop hem aan te kunnen raken, maar het dier gunde hem dit plezier niet. In plaats daarvan maakte het een sprong, stootte een wolk inkt uit en zwom met de melkachtig witte huid weg als een speer.

    Wat wij inktvis noemen, verwijst naar verschillende soorten koppotigen: op het bord van Lucas ligt een sepia (in stukken gesneden), onder water kwam hij een octopus tegen (in één stuk). Dat het woord voor het ene dier vrouwelijk is en voor het andere mannelijk, is even irrelevant als de hond en het poesje, het is gewoon zo. Een sepia lijkt een beetje op een vliegende, of liever: zwevende schotel, met tien tentakels rond zijn mond, als een baard. Een octopus heeft een zakvormig lichaam, onderaan een mond die bek of soms snavel wordt genoemd, en acht tentakels die in alle richtingen uitwaaieren. ‘Ik vind het gaaf om de octopussen daar beneden te zien,’ zegt Lucas Martins. ‘Maar ik heb ze ook graag op mijn bord.’

    Dit is een verhaal over tegenstrijdigheden, onwetendheid en heimelijkheden. En het is een toenadering tot een dier waarop al zoveel werd geprojecteerd: de dood, monsterlijkheid, list en lust. Velen beschouwen de octopus als een wezen dat het dichtst in de buurt van een buitenaardse verschijning komt, of althans bij ons idee ervan. Omdat het totaal anders is dan wij.

    Dit verhaal gaat over de mens die denkt voldoende te hebben begrepen van onderwaterwezens om er een calculeerbaar product voor een kapitalistisch industrieel systeem van te maken.

    Industriële kweek

    De octopus ‘voldoet aan veel van de vereisten om in aanmerking te komen voor industriële kweek’, schreef het wetenschappelijke tijdschrift Aquaculture in 2004: ‘gemakkelijke aanpassing aan de omstandigheden in gevangenschap, hoge groeisnelheid, aanvaarding van laagwaardig natuurlijk voedsel, hoge reproductiesnelheid en hoge marktprijs’. Het was slechts een kwestie van tijd.

    Evolutionair biologisch gezien kunnen mens en octopus nauwelijks verder uit elkaar staan. Onze wegen gingen ongeveer zeshonderd miljoen jaar geleden uiteen, toen al het leven zich nog in zee afspeelde en geen enkel organisme nog voet op land had gezet.

    Onze meest recente gemeenschappelijke voorouder is een wormachtig wezen dat enerzijds uitgroeide tot gewervelde dieren, zoogdieren en bovengemiddeld intelligente mensen. Aan de andere kant ontstonden ongewervelden zoals mosselen, slakken en bovengemiddeld intelligente koppotigen. Ons bloed is rood omdat het ijzer bevat als zuurstofdragend molecuul; hun bloed is blauwgroen omdat ze koper gebruiken om zuurstof te transporteren. Dat we geboren worden, leven en sterven hebben we gemeen, evenals onze ogen, vreemd vertrouwd in dit vreemde lichaam. Afgezien daarvan is alles anders, alsof de evolutie twee keer de geest kreeg, maar wel twee keer totaal anders. Vandaar de vergelijking met een buitenaards wezen, afkomstig van de Britse zoöloog Martin Wells. Onze wens de octopus te begrijpen is een uitdaging voor onze eigen intelligentie.

    In de oudheid werden octopussen vereerd als symbolen van de liefde

    Is het altijd goed om alles te begrijpen? In ieder geval bewijzen we de octopussen er geen dienst mee. Tot op zekere hoogte verhinderen zij ons dat begrip dan ook: we weten nog steeds niet wat er in hun hoofden omgaat, omdat zij de elektroden waarmee we hun hersengolven proberen te meten, er binnen een mum van tijd aftrekken met een van hun acht armen.

    Met elk stukje informatie dat wij over hen krijgen, verliezen ze iets van hun geheimen. In de oudheid werden octopussen vereerd als symbolen van de liefde; in talloze verhalen zijn ze angstaanjagende, onaantastbare monsters; Victor Hugo beschrijft ze als ‘beesten van as’; in Japan heeft kunstenaar Katsushika Hokusai ze in een houtsnede vereeuwigd als de belichaming van wellust. Maar inmiddels weten we te veel om ze zomaar te gebruiken voor onze projecties.

    ‘[Dieren] zijn objecten van onze steeds uitbreidende kennis. Wat we over hen weten is een indicatie van onze macht en dus een indicatie van wat ons van hen scheidt. Hoe meer we weten, hoe verder weg ze zijn‘, aldus de Britse schrijver John Berger. ‘In de eerste fasen van de industriële revolutie werden dieren (…) gebruikt als machines. Tegenwoordig, in de zogenaamde postindustriële samenlevingen, worden ze behandeld als grondstoffen.’

    Octopuskwekerij

    Mensen vangen en eten al heel lang octopussen. Maar nu bouwt het Spaanse bedrijf Nueva Pescanova – een van de grootste visserijbedrijven ter wereld, met een vloot van meer dan zestig vaartuigen en een gecombineerd aquacultuurgebied van ongeveer zevenduizend hectare – ’s werelds eerste octopuskwekerij op Gran Canaria.

    De octopus wordt een industrieel product, zoals een chocoladereep. Om preciezer te zijn geldt dat voor de Octopus vulgaris, de gewone octopus. Dat is de kosmopoliet onder de octopussen, want hij leeft in alle oceanen van de wereld.

    De octopus is in staat tot buitengewone denkprestaties, niet alleen met zijn hersenen, maar met zijn hele lichaam. Drie vijfde van zijn neuronen bevinden zich in zijn armen, die zich onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen: de octopus leeft dus buiten de gangbaar geachte scheiding tussen lichaam en geest.

    De octopus heeft negen hersens en drie harten, zijn hele lichaam is geest

    Dit is een uitdaging voor het filosofische geest-lichaamprobleem, dat, eenvoudig gezegd, betrekking heeft op de vraag waar de geest zich in het lichaam bevindt. In de hersenen? In het hart? De octopus heeft negen hersens en drie harten, zijn hele lichaam is geest – of zijn hele geest is lichaam.

    Met zijn tentakels kan hij proeven en, in zekere zin, ook zien. In zijn huid zitten fotoreceptoren die hem helpen de kleuren van zijn omgeving aan te nemen, ook al is hij zelf kleurenblind.

    Hij kan deksels van potjes draaien en zich vijf maanden lang herinneren hoe hij dat deed. Hij kan mensen uit elkaar houden, zelfs als ze hetzelfde uniform dragen, en hij kan taken oplossen zoals een hendel overhalen om eten te krijgen. Maar bovenal heeft hij een persoonlijkheid. In het experiment met de hendel trokken twee octopussen zachtjes, maar de derde trok zo hard dat de hendel brak. Hij rukte ook de lamp los die boven de bak hing en belaagde de onderzoeksleider met waterstralen.

    Persoonlijkheid is een sterke indicator van hoge intelligentie, net zoals het vermogen om plannen te maken: meerdere octopussen zijn in het wild waargenomen met de schalen van een kokosnoot om als pantser te gebruiken in geval van gevaar. Een octopus wordt echter maar ongeveer twee jaar oud – dus wat is het nut van al deze vaardigheden als hij nauwelijks tijd heeft om ze te gebruiken? De meest sluitende verklaring: de octopus bestaat alleen uit zachte weefsels, wat hem tot een gemakkelijke prooi maakt. De drang om zich zo goed mogelijk voor aanvallers te kunnen verbergen en eraan te ontsnappen, schiep intelligentie als overlevingsstrategie. Er is nog zoveel dat we niet begrijpen, en daarom stelt zeebioloog Jean Boal terecht de vraag: ‘Zijn we eigenlijk wel slim genoeg om uit te vinden hoe slim ze zijn?’

    Vijftig procent overlevingskans

    Kan zo’n schepsel in een kwekerij leven? Aangezien de kwekerij in afwachting van de milieu-effectbeoordeling nog niet in aanbouw is, nodigt het bedrijf Nueva Pescanova SZ-Magazin uit in zijn onderzoekcentrum in Galicië.

    In Galicië, in het noordwestelijkste puntje van Spanje, is men gewend de zee te benutten. De batea’s, houten platforms waaronder oesters en mosselen aan grove touwen groeien, rijgen zich in de baaien aaneen.

    In hotels wordt op affiches reclame gemaakt voor het ‘Festa do Marisco’, met grote krabben die koffiedrinken uit kleine kopjes. En in de ochtenduren, wanneer bij laagwater de zeebodem komt bloot te liggen, gaan honderden in neopreen geklede figuren op zoek naar mosselen.

    Aan de oostkust van het schiereiland O Grove staat het Biomarine Centrum Pescanova, een doos van beton en glas, met daar bovenop een museum en eronder een onderzoekscentrum. Met een virtualrealitybril kun je van boven in de ruimtes eronder kijken en zo de tarbotten, de algenkwekerij en de waterzuiveringsinstallatie zien. Alleen van de tank met de octopussen zijn geen beelden. Hun kweek is een van de meest waardevolle geheimen van de visindustrie.

    Een paralarva staart ons aan – een octopus van minder dan 24 uur oud, een paar millimeter groot

    David Chavarrías Lázaro, directeur van het centrum, en Tesa Díaz-Faes Santiago, hoofd van de communicatieafdeling van Nueva Pescanova, leiden ons de trap af naar dit geheim – fotograferen is verboden. Op het mondkapje van de communicatiedeskundige prijkt een zwaaiende Rodolfo Langostino, een breed grijnzende langoustine met witte handschoenen en een blauwe sjaal; de mascotte van het bedrijf. We trekken fladderende witte plastic jassen en blauwe schoenovertrekken aan en beneden in het lab wacht een laborante ons al op bij de microscoop, waarvan het beeld zichtbaar is op een plat scherm erboven. Een paralarva staart ons aan – een octopus van minder dan 24 uur oud, een paar millimeter groot. Zijn lichaam is doorzichtig, en zijn pulserende organen steken er donker bij af.

    Als hij zich in open zee zou bevinden, zou hij nu ongeveer twee maanden min of meer willoos in het water ronddobberen om zich dan naar de bodem te laten zinken waar zijn levens- en voedselbehoeften volledig veranderen. En dat herhaal zich als hij tot een grote octopus is uitgegroeid. ‘Het zijn eigenlijk drie verschillende dieren,’ zegt Chavarrías.

    Dat een paralarva volwassen wordt, is in het wild al uiterst onwaarschijnlijk, omdat hij vanaf het begin alleen is. Een vrouwelijke octopus legt enkele honderdduizenden eieren per keer en steekt al haar energie in de verzorging ervan. Het nieuwe begin is haar einde: als haar kroost uitkomt, sterft de moeder.

    Weerloos blootgesteld aan de gevaren van de oceaan, overleeft slechts een fractie van de kleintjes de eerste weken. Lange tijd overleefde er in het laboratorium geen een. De paralarva die we nu op het scherm zien heeft vijftig procent overlevingskans, zegt David Chavarrías. ‘Maar dat kunnen we van generatie op generatie optimaliseren.’ Bedrijven en onderzoeksinstellingen over de hele wereld zijn al tientallen jaren in een race verwikkeld om als eerste een octopus in gevangenschap groot te brengen. Nueva Pescanova is het gelukt.

    Geen regelgeving

    Er is nu nog geen wet die dat kan verhinderen. Er bestaat zelfs geen regelgeving die voorschrijft hoe octopussen moeten worden gehouden of gedood – de EU-richtlijn inzake de bescherming van boerderijdieren sluit ongewervelde dieren uitdrukkelijk uit. Chavarrías legt uit dat Nueva Pescanova momenteel onderzoekt of het beter is de dieren eerst bewusteloos te maken met geleidelijke elektrische schokken of met kooldioxide om ze daarna te doden; hoe wil hij niet zeggen. Verschillende dierenbeschermingsorganisaties willen de bouw van de kwekerij tegenhouden, maar zonder rechtsgrond is dat moeilijk.

    Dierenrechtenorganisatie Peta deed in een open brief aan de minister van Landbouw van de Canarische Eilanden een oproep om de kwekerij te stoppen en verzamelde meer dan 25.000 handtekeningen. In Las Palmas demonstreerden dierenbeschermingsgroepen voor het stadhuis. Ze hadden borden met in grote letters ‘Stop de octopuskwekerijen’, één activist was verkleed als rode octopus.

    Een andere manier om de kwekerij toch te verhinderen is de milieu-effectbeoordeling. Honderdtien onderzoekers, dierenwelzijns- en milieuorganisaties ontrafelden die in mei 2022. Een van hun belangrijkste punten van kritiek: tot dusver onbekende ziekteverwekkers zouden zich vanuit de kwekerij kunnen verspreiden en Nueva Pescanova heeft geen adequate veiligheidsmechanismen om dat te voorkomen. Zij riepen de regering van de Canarische Eilanden op de milieuvergunning voor de kwekerij te verwerpen. Het is onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren – Nueva Pescanova heeft 65 miljoen euro geïnvesteerd in de bouw van de kwekerij en belooft honderdvijftig nieuwe banen op het eiland.

    En vanwaar al die ophef? De handel in octopus is een miljardenbusiness.

    Octopussen, inktvissen en sepia’s behoren tot de meest waardevolle zeedieren ter wereld

    Alleen al de diepgevroren octopus, die de Europese Unie vorig jaar uit Marokko importeerde, had een waarde van ongeveer 2,4 miljard euro. Wat de omzet is die Nueva Pescanova maakt en verwacht te maken wil het bedrijf niet zeggen. Maar octopussen, inktvissen en sepia’s behoren tot de meest waardevolle zeedieren ter wereld. Ze zijn populair in Hawaïaanse tako-pokébowls, in Spaanse tapas, als Japanse takoyaki-balletjes en in de Portugese versie van fish and chips.

    Van de 20,5 kilo vis die elk mens wereldwijd gemiddeld per jaar eet, is 0,5 kilo octopus, en die hoeveelheid neemt toe. Sinds de jaren vijftig zijn de vangsten wereldwijd verviervoudigd, maar van 2017 tot 2018 stortten daalde deze weer van 433.000 ton tot 322.000. In Europese wateren is de vangst niet gereguleerd; wereldwijd worden veel bestanden als overbevist beschouwd. En dat terwijl de octopus een van de weinige diersoorten is die goed kan omgaan met de veranderingen die de mens onder water heeft teweeggebracht.

    Nueva Pescanova verkoopt ook octopus uit de wateren voor de kust van Mauritanië, Marokko en Galicië; het bedrijf wil niet bekendmaken hoeveel, noch met welke vangst- en dodingsmethoden. David Chavarrías zegt er alleen dit over: ‘De wildbestanden in deze gebieden zijn volledig vernietigd.’ De kwekerij zal het probleem op een zeer duurzame manier oplossen, zegt hij. Met de geplande octopuskwekerij vraagt Nueva Pescanova EU-middelen aan in het kader van het programma Next Generation, dat tot doel heeft milieuvriendelijke technologieën na de pandemie te bevorderen. ‘Aquacultuur is een manier om de druk op de wildvisserij effectief te verminderen,’ zegt Tesa Díaz-Faes.

    Uit een studie die in 2019 in het tijdschrift Conservation Biology is gepubliceerd, blijkt echter het tegenovergestelde: aquacultuur zou de wilde visvangst niet vervangen, maar aanvullen. Ze kan zelfs bijdragen tot een stijging van de vraag, omdat de betreffende soorten ruimer beschikbaar en goedkoper worden. Meer dan de helft van de vis die vandaag wordt gegeten, komt al uit kwekerijen.

    Lourditas

    Maar het kweken van octopus blijkt uiterst moeilijk te zijn. In 2017 kondigde het Japanse bedrijf Nissui aan dat het met succes octopuseieren had uitgebroed en dat het in 2020 ’s werelds eerste gekweekte octopus op de markt zou brengen. Vervolgens gebeurde er niets. Tot Nueva Pescanova in 2019 met een soortgelijke aankondiging naar buiten kwam: de eerste gekweekte octopus zou in 2023 op de markt moeten komen. In samenwerking met het Spaans Nationaal Oceanografisch Instituut – Nueva Pescanova financiert het onderzoek en koopt de daaruit voortvloeiende octrooien – heeft het bedrijf voor het eerst octopussen in gevangenschap grootgebracht. Hoe precies, onthullen ze niet. Ze noemden het moederdier Lourditas, naar het mirakel van Lourdes, omdat ze het een mirakel vinden dat het hen is gelukt.

    De minioctopus die ze hier nu laten zien, behoort al tot de vijfde generatie. In zwarte tanks in de grote hal wordt de generatie ouders gehouden; de kleur wordt verondersteld hen te kalmeren. Ongeveer twintig mannetjes liggen in één pool – ze geven de voorkeur aan het begrip pool, zegt Chavarrías – met ongeveer hetzelfde aantal vrouwtjes in het bassin ernaast. Het mannelijk bassin is helemaal kaal, in het vrouwelijk bassin liggen twee korte buizen waaruit bleke tentakels steken. De octopussen liggen in hoopjes op elkaar, hun armen in kleine spiralen gedraaid, hun lichaamskleur melkwit. Slechts een van de mannetjes heeft een roestrode kleur gekregen en zwemt naar de rand van het bassin waar wij staan. Twee keer stoot hij met zijn zakachtige lichaam tegen de rand, dan vormt hij kleine stekeltjes op zijn huid en loopt langzaam achteruit met zijn tentakels, zonder zijn ogen van ons af te wenden. De anderen blijven op de bodem.

    De kwekerij zal er wat anders uitzien, leggen de in plastic gehulde communicatiemanager en de centrumdirecteur uit. Vanwege de goede waterkwaliteit en de milde temperaturen zal de kwekerij op Gran Canaria worden gebouwd, en er zal drieduizend ton octopus per jaar worden geproduceerd.

    ‘Het is een mythe dat octopussen zo intelligent zijn’

    In grote bassins zullen meerdere kooien drijven, zonder speelgoed, zegt Tesa Díaz-Faes. ‘Dat is er in de natuur ook niet.’ Antibiotica of herbicides zullen niet worden gebruikt. Momenteel wordt met biomarkers in de octopussen onderzocht of er sprake is van stress. Met behulp van kunstmatige intelligentie worden alle belangrijke parameters voortdurend gecontroleerd en aangepast en er wordt samengewerkt met Microsoft.

    Zes tot tien milligram zuurstof per liter, 27 tot 37 gram zoutgehalte, een pH-waarde van 7 tot 8,5, een temperatuur van 12 tot 21 graden Celsius. Die cijfers moeten hen vertellen of de octopussen gelukkig zijn.

    ‘Het is een mythe dat octopussen zo intelligent zijn,’ zegt Díaz-Faes. Het feit dat zij bijvoorbeeld een pot met schroefdop kunnen openen, is geen teken van intelligentie, zegt ze, maar eerder het resultaat van hun zenuwstelsel waardoor zij onophoudelijk al hun armen bewegen.

    In de experimenten deden de octopussen het echter op verschillende manieren, met slechts één arm of met meerdere: een duidelijk teken van doelgerichte actie.

    ‘De conclusie dat de intelligentie van octopussen een mythe is, vereist dat je meer dan tachtig jaar onderzoek terzijde schuift,’ zegt de Australische gedragsbioloog Alex Schnell als ze hoort van Díaz-Faes’ uitspraken.

    Vermogen om te voelen

    Schnell is expert op het gebied van koppotigen en doet al vijftien jaar onderzoek. ‘Honderden experimenten hebben objectief aangetoond dat octopussen intelligent zijn en gevoel hebben,’ zegt zij. Schnell heeft vorig jaar, samen met onderzoekers van de London School of Economics and Political Science, in een uitgebreide metastudie aangetoond dat octopussen gevoel hebben. ‘Wij zijn ervan overtuigd dat het kweken van octopussen met een hoog welzijnsniveau onmogelijk is’, concludeerde het team van deskundigen in hun rapport, en het stelde voor dat de Britse regering de invoer van gekweekte octopus preventief zou verbieden.

    Lange tijd werd octopussen het vermogen om te voelen ontzegd, omdat zij als ongewervelde dieren niet onder de regelgeving inzake dierenwelzijn vielen; daarom mochten ze in onderzoeksfaciliteiten zonder verdoving worden geopereerd. Inmiddels zijn ze ‘op eretitel’ in veel verordeningen opgenomen als ‘gewervelde dieren’, onder meer in de EU-richtlijnen betreffende bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt.

    Van een wezen dat zo anders is dan mensen, is het moeilijk om gevoelens te interpreteren. Nog maar twee jaar geleden kwamen onderzoekers erachter hoe zij emoties bij muizen kunnen aflezen uit hun gezichtsuitdrukkingen, maar dergelijke studies zijn er niet voor octopussen. Men kan proberen hun gedrag te interpreteren – zoals het gegeven dat de octopussen in Nueva Pescanova elkaar niet verscheuren. Het klinkt paradoxaal, maar dat is een slecht teken. Omdat octopussen solitaire dieren zijn, blijven de meeste zelfs tijdens het paren op veilige afstand. ‘We weten dat ze niet graag in een groep zijn, dan bijten ze of eten ze elkaar zelfs op,’ zegt labtechnicus Alix Harvey. Ze is verzorger van de onderzoeksaquaria van het Citadel Hill Laboratory in Plymouth, Zuid-Engeland, het hoofdkwartier van de Britse Marine Biological Association. Er zijn maar weinig mensen die zoveel ervaring hebben met koppotigen in gevangenschap als zij, en het feit dat de octopussen elkaar niet aanvallen in de groepshuisvesting in Nueva Pescanova, noemt ze zeer verontrustend. Ze liggen onder elkaar omdat dit de enige manier voor hen is om zich ergens onder te begraven, legt ze uit. ‘Octopussen kunnen depressief worden,’ zegt ze. Hun witte lichaamskleur is daar een aanwijzing voor; die krijgen ze alleen als ze gestrest, boos of ongelukkig zijn.

    Octopussen ontsnappen als het goed met ze gaat. Als ze niet ontsnappen, betekent het dat ze niet in orde zijn

    ‘Als het ze niet goed zou gaan, zouden ze voortdurend proberen te ontsnappen,’ had David Chavarrías gezegd bij het open bassin in de onderzoeksruimte. Maar het bassin is nooit afgedekt geweest.

    Door te vluchten zouden ze echter geheid hun dood tegemoet treden: octopussen kunnen korte tijd overleven op het land, maar ze drogen zeer snel uit. Meestal weerhoudt dat hen er niet van hun geluk toch te beproeven. Wetenschappers over de hele wereld kunnen de meest hilarische verhalen vertellen over hoe octopussen uit hun aquarium ontsnappen, hoe ze ’s nachts stiekem andere tanks binnensluipen om op vis te jagen, hoe ze hele laboratoria onder water zetten door de afvoer te blokkeren, of hoe ze kortsluiting veroorzaken met een waterstraal. ‘We verzwaarden de deksels van onze aquaria met betonblokken, maar die konden ze omhoogtillen,’ zegt Alix Harvey. ‘We hebben kleine exemplaren gehad die via de afvoer uitbraken en andere ontsnapte uit de ene emmer en klom een andere in.’ Octopussen ontsnappen als het goed met ze gaat. Als ze niet ontsnappen, betekent het dat ze niet in orde zijn.

    Nog een argument tegen de kwekerij: octopussen zijn – net als veel andere vissen die in kwekerijen worden gekweekt – carnivoren. Dit betekent dat er vis voor ze moet worden gevangen: aquaculturen maken de zee extra leeg. Van de wereldwijd gevangen of gekweekte vis is 88 procent bestemd voor menselijke consumptie, de rest wordt grotendeels gebruikt als voer in kwekerijen.

    David Chavarrías is zich van dit probleem bewust en legt uit dat de octopussen worden gevoed met visafval en algen. Hun FIFO (‘fish-in, fish-out’-ratio) laat zien hoe effectief ze dit voedsel omzetten in lichaamsgewicht. Het is 2,5:1 en moet worden teruggebracht tot 2:1, aldus Chavarrías. Dat betekent dat de octopussen 2 kilo voedsel omzetten in zo‘n 1 kilo lichaamsgewicht.

    Alex Schnell gaat eerder uit van een verhouding van 3:1. Voor labtechnicus Alix Harvey is het voedsel alleen al reden genoeg om tegen kwekerijen te zijn. ‘In het beste geval moeten octopussen levend voedsel krijgen,’ zegt ze. Uiteindelijk kunnen ze gewend raken aan dood voedsel, maar algen en visafval is weer een ander verhaal.

    ‘(…) de enige werkelijkheid in de leegte bestaat uit hun eigen lusteloosheid of hyperactiviteit’, schreef John Berger over dieren in gevangenschap. ‘Ze hebben niets om hun energie op te richten – behalve, even, het voer dat ze krijgen en, zo heel af en toe, de partner die men hun toewijst.’

    Octopus’s Garden

    Maar hoe leeft een octopus in vrijheid, van wie zwemt hij weg, wat verkent hij en hoe reageert hij op mensen? Om dat te ontdekken, ontmoet ik Lucas Martins in Sesimbra, zo’n veertig kilometer ten zuiden van Lissabon. Lucas duikt hier al jaren en hij zegt dat hij op deze plek altijd octopussen tegenkomt. We trekken dikke wetsuits aan, neopreen schoenen en neopreen mutsen, de Atlantische Oceaan is koud. Een motorboot brengt ons het water op, dan doen we zuurstofflessen en loodgordels om, zetten vinnen en brillen op en laten ons achterover in het water vallen.

    In de Oscarwinnende film My Octopus Teacher laat natuurfilmmaker Craig Foster het grootste deel van zijn uitrusting achterwege om dichter bij de octopus te komen, maar ik ben noch getraind voor de kou, noch voor apneuduiken. Luid borrelend zakken we naar de zeebodem, waar we op zoek gaan naar het dier dat zich beter kan camoufleren dan bijna elk ander dier.

    ‘We would sing and dance around / Because we know we can’t be found‘  [‘We zouden in de rondte zingen en dansen, want we weten toch dat we niet gevonden worden’] zingt Ringo Starr in het Beatles-nummer Octopus’s Garden. En inderdaad, eerst lijkt het erop dat de octopussen niet gevonden kunnen worden. Een half uur lang kijken we tevergeefs in elk gat en onder elke rots. Dan stopt Lucas voor iets dat in mijn ogen op een steen lijkt. Bij nader inzien herken ook ik de octopus, die perfect de kleur van de zandbodem heeft aangenomen. Als we dichterbij komen, realiseert het dier zich dat zijn camouflage niet werkt. Hij zweeft omhoog, verandert in bleekwit alsof hij zijn zandkleurige vacht heeft laten vallen, en schiet weg. Ik had mijn opwinding willen uiten, maar ik heb een ademautomaat in mijn mond en bevind me zo’n 15 meter onder het wateroppervlak. Dus Lucas en ik geven elkaar alleen het oké-teken: duim en wijsvinger gesloten in een cirkel.

    We komen een tweede, derde en vierde octopus tegen die dag. Ze persen zich in spleten, nemen de kleur aan van de rode algen die hier in het water dobberen, trekken zich met hun tentakels aan rotsen op, vormen kleine stekels over het hele oppervlak van hun lichaam om onmiddellijk daarna te veranderen in een diepe tint blauw.

    Hun hele wezen is ontworpen voor camouflage

    Hun hele wezen is ontworpen voor camouflage – camerabeelden met hoge resolutie lieten zelfs zien dat ze met hun inktwolken fantoombeelden van zichzelf creëren om hun aanvallers te verwarren.

    Met hun ogen, die zo vertrouwd menselijk lijken, taxeren ze Lucas en mij tijdens onze duiken. Maar Lucas’ hand aanraken, dat willen ze niet. Ik denk aan Alix Harvey, die mij vertelde dat ze er als kind van droomde een hechte vriendschap te sluiten met een wild dier, zoals waarschijnlijk veel kinderen. Zij gelooft dat we die droom nooit helemaal ontgroeien. Het is deze droom die filmmaker Craig Foster werkelijkheid heeft laten worden, of op z’n minst de illusie ervan. Hij hield van de octopus, maar hield die ook van hem?

    Het doet er niet toe. Een dier hoeft zijn genegenheid niet te tonen om respect te verdienen. Een octopus hoeft zijn tentakels niet uit te steken als wij hem onze hand reiken. Hij kan ook een wolk inkt uitstoten en wegzwemmen, zoals de meeste octopussen op een bepaald moment na onze ontmoeting doen.

    ‘Oh what joy for every girl and boy / Knowing they’re happy and they’re safe’ [‘Oh, wat een vreugde is het voor alle meisjes en jongens om te weten dat ze gelukkig zijn en veilig‘] zingt Ringo Starr tegen het einde van Octopus’s Garden. Hij schreef het in 1968 in Sardinië, waar een schipper hem had verteld hoe octopussen stenen en schelpen verzamelen om tuintjes aan te leggen voor hun holen. The Beatles lagen overhoop in die tijd en Starr droomde zichzelf naar deze fantastisch klinkende plek. Hij kon niet weten dat die tuintjes vierenvijftig jaar later zouden veranderen in kooien.

  • Canada: wegwerpplastic vanaf december verboden

    Canada: wegwerpplastic vanaf december verboden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Engeland hoort op 5 september wie Boris Johnson opvolgt als premier

    » VN: steeds meer Oekraïners keren terug naar huis

    Canada verbiedt als eerste land ook uitvoer van plastic

    Canada heeft bekendgemaakt dat er een definitief verbod komt op plastic zakjes, rietjes, verpakkingen voor afhaalmaaltijden en ander wegwerpplastic, meldt The Guardian. ‘Slechts 8 procent van het plastic afval wordt gerecycled,’ aldus de Canadese minister van Volksgezondheid Jean-Yves Duclos. Hij voegde eraan toe dat jaarlijks 43.000 ton plastic voor eenmalig gebruik in het milieu terechtkomt, voornamelijk in waterwegen.

    Het verbod op de productie en invoer van plastic wegwerpzakjes, bestek, rietjes, roerstaafjes, bekertrays en meeneemverpakkingen gaat december dit jaar in en het verbod op de verkoop daarvan een jaar later. Eind 2025 gaat Canada ook de uitvoer verbieden; het is daarmee het eerste land dat dit internationaal doet, volgens een persbericht van de regering.

    In de nieuwe regelgeving ontbreekt een verbod op plastic verpakkingen voor consumptiegoederen – de belangrijkste bron van plastic afval wereldwijd – maar Canada belooft ervoor te zorgen dat alle plastic verpakkingen in 2030 voor zeker de helft uit gerecycleerd materiaal zullen bestaan.

    Lees ook:

  • Zouden wetenschappers dino’s, dodo’s en mammoeten weer tot leven kunnen wekken?

    Zouden wetenschappers dino’s, dodo’s en mammoeten weer tot leven kunnen wekken?

    Nieuwe genetische technieken stellen wetenschappers in staat om uitgestorven dieren weer terug te brengen. Zo zouden er over een paar jaar kuddes wolharige mammoeten op de Siberische toendra kunnen rondlopen. Maar is dat wel een goed idee?

    Wat Alida Bailleul door de microscoop zag, sloeg nergens op. Toen ze dunne secties onderzocht van gefossiliseerde schedels van een jonge hadrosaurus, een plantenetend beest met een eendenbek dat 75 miljoen jaar geleden rondzwierf in wat nu Montana is, bespeurde ze kenmerken die haar de adem benamen.

    Bailleul onderzocht de fossielen, afkomstig uit een collectie van het Museum of the Rockies in Bozeman, Montana, omdat ze wilde begrijpen hoe dinosaurusschedels zich hadden ontwikkeld. Maar wat ze zag, zou er volgens haar leerboeken helemaal niet kunnen zijn. Aan de achterkant van een schedel, ingebed in verkalkt kraakbeen, bleken fossiele cellen te zitten. Sommige daarvan bevatten kleine structuren die op kernen leken. In één ervan zat wat leek op een klomp chromosomen, de draden die het DNA van een organisme dragen.

    Bailleul liet het specimen zien aan Mary Schweitzer, professor en specialist in moleculaire paleontologie aan de North Carolina State University, die op bezoek was in het museum. Schweitzer was in Montana gepromoveerd onder supervisie van Jack Horner, de plaatselijke fossielenjager die de inspiratie vormde voor het personage Alan Grant in Jurassic Park. Schweitzer zelf was beroemd geworden – en bedolven onder kritiek – vanwege de bewering dat ze zacht weefsel had gevonden in dinosaurusfossielen, van bloedvaten tot fragmenten van eiwitten.

    Dinosauruscellen

    Schweitzer was geïntrigeerd door Bailleuls ontdekking en de twee bundelden hun krachten om de fossielen verder te bestuderen. Begin 2020, toen de wereld de komst van corona aan het verwerken was, publiceerden ze over hun bevindingen een artikel dat insloeg als een bom. Het bevatte niet alleen bewijs voor dinosauruscellen en kernen in de hadrosaurusfossielen, maar ook resultaten van chemische tests die wezen op DNA, of iets wat erop leek, dat opgerold binnenin de cellen lag.

    De gedachte om biologisch materiaal uit dinosaurusfossielen te halen is controversieel en ingrijpend. Schweitzer beweert niet dat zij dinosaurus-DNA heeft gevonden – het bewijs is te zwak om daar zeker van te zijn –, maar ze zegt dat wetenschappers de mogelijkheid niet moeten verwerpen dat het in prehistorische overblijfselen aanwezig kan zijn.

    Zouden we, gewapend met voldoende dino-DNA, die logge beesten ook echt kunnen terugbrengen?

    ‘Ik denk niet dat we ooit moeten uitsluiten dat we dinosaurus-DNA uit dinosaurusfossielen kunnen halen,’ zegt ze. ‘We zijn er nog niet, en misschien zullen we het nooit vinden. Maar als we niet zoeken zullen we het sowieso niet vinden.’

    Stukjes prehistorisch weefsel, proteïnen of DNA zouden het vakgebied van de moleculaire paleontologie kunnen transformeren en veel van de mysteries over het leven van dinosaurussen kunnen ontsluieren. Maar het vooruitzicht om over de ongeschonden genetische code van een tyrannosaurus of velociraptor te beschikken, roept vragen op die wetenschappers sinds de oorspronkelijke Jurassic Park-film uit 1993 regelmatig stellen. Zouden we, gewapend met voldoende dino-DNA, die logge beesten ook echt kunnen terugbrengen?

    De-extinctie

    Snelle ontwikkelingen in de biotechnologie hebben de weg vrijgemaakt voor de elegante toepassingen van de-extinctie, waarbij een soort die ooit als voor altijd verloren werd beschouwd, een tweede kans op aarde krijgt. Voorlopig gaat de aandacht vooral uit naar wezens waarmee de mens ooit de planeet deelde – en die mede door ons zijn verdreven.

    Het meest in het oog springende programma op dit gebied is de poging om de wolharige mammoet in zekere zin na te bootsen en kuddes van deze dieren terug te brengen op de toendra’s van Siberië, duizenden jaren nadat zij zijn uitgestorven. Colossal, het bedrijf achter dit project, is opgericht door de Harvard-geneticus George Church en technologisch ondernemer Ben Lamm. Zij beweren dat duizenden wolharige mammoeten zouden kunnen helpen bij het herstel van de aangetaste habitat: bijvoorbeeld door bomen te verwijderen, de bodem te bemesten met hun mest en te zorgen dat de graslanden opnieuw gaan groeien. Als alles volgens plan verloopt – en dat is nog helemaal niet zeker – zouden de eerste kalfjes binnen zes jaar geboren kunnen worden.

    Het is een zeer omvangrijk project. Hoewel er goed bewaarde mammoeten uit de toendra zijn opgegraven, zijn er geen levende cellen gevonden waarmee ze kunnen worden gekloond volgens de methode die Dolly het schaap, het eerste gekloonde zoogdier, heeft voortgebracht. Dus heeft Colossal een omweg bedacht. Eerst vergeleek het team het genoom van de wolharige mammoet met dat van een naaste levende verwant, de Aziatische olifant. Dit bracht de genetische veranderingen aan het licht die de wolharige mammoet uitrustte tegen de kou: de dichte vacht, de verkorte oren, de dikke vetlagen voor isolatie enzovoort.

    De wolharige mammoet van Colossal zal een olifant zijn die is aangepast aan de kou

    De volgende stap is het herschrijven van het genoom van een cel van de Aziatische olifant, waarbij gereedschap wordt gebruikt waarmee genen kunnen worden geredigeerd. Als de circa vijftig verwachte bewerkingen het gewenste effect hebben, zal het team een van die ‘gemammoetiseerde‘ olifantencellen inbrengen in een eicel van de Aziatische olifant waarvan de kern is verwijderd. Met een stroomstoot wordt de bevruchting op gang gebracht en het eitje zou zich moeten beginnen te delen om uit te groeien tot een embryo. Ten slotte zal het embryo worden overgebracht naar een draagmoeder of, aangezien het de bedoeling is duizenden van deze wezens te produceren, naar een kunstmatige baarmoeder.

    Het project van Colossal vestigt de aandacht op een van de grootste misverstanden rond de-extinctie programma’s. Ondanks al het gepraat over het terugbrengen van soorten, gaat het niet om kopieën van uitgestorven dieren. De wolharige mammoet van Colossal, zoals Church grif toegeeft, zal een olifant zijn die is aangepast om de kou te overleven.

    Of dat iets uitmaakt, hangt af van het motief. Als het doel is de gezondheid van een ecosysteem te herstellen, dan is het gedrag van het dier belangrijker dan zijn identiteit. Maar als de drijfveer nostalgie is, of een poging om het schuldgevoel van de mens over de vernietiging van soorten te sussen, dan is de-extinctie misschien niet veel meer dan een wetenschappelijke strategie om onszelf voor de gek te houden.

    Inteelt

    De in Californië gevestigde non-profitorganisatie Revive and Restore heeft projecten lopen om meer dan veertig diersoorten nieuw leven in te blazen door handige toepassing van biotechnologie. De organisatie heeft een zwartvoetbunzing gekloond, Elizabeth Ann genaamd, die is voorbestemd om het eerste gekloonde zoogdier te worden dat kan helpen een bedreigde diersoort te redden. De hoop is dat Elizabeth Ann, gecreëerd uit cellen die in de jaren tachtig zijn ingevroren, de broodnodige genetische diversiteit zal brengen in kolonies van wilde marters die door inteelt worden bedreigd.

    Revive and Restore wil twee uitgestorven vogelsoorten, de heidehoen en de trekduif, al in de jaren 2030 terugbrengen. Na tientallen jaren stand te hebben gehouden op Martha’s Vineyard, een eiland in de buurt van Cape Cod in Massachusetts, stierf het heidehoen uiteindelijk uit in 1932. In het kader van het de-extinctieplan willen wetenschappers een vervangende vogel creëren door het DNA van de nauw verwante prairiehoen zo te bewerken dat het genen van het heidehoen bevat. Het project voor de trekduiven volgt een soortgelijke aanpak, waarbij de bandstaartduif als genetisch model wordt gebruikt.

    ‘We creëren deze soorten niet om menselijke filosofieën te bevredigen, maar we doen dit met het oog op natuurbehoud’

    Ben Novak, hoofdwetenschapper van Revive and Restore, vergelijkt de-extinctie met rewilding, de introductie van verloren gegane soorten om lokale habitats te verbeteren. ‘De introductie van biotechnologie is gewoon een uitbreiding van deze bestaande praktijk waarbij soorten in aanmerking komen die voorheen niet in aanmerking kwamen,’ zegt hij. Als je je zorgen maakt dat de dieren die in het kader van de-extinctie worden gecreëerd geen exacte replica’s zijn van verloren gegane soorten, dan mis je de kern van de zaak, voegt hij eraan toe. ‘We creëren deze soorten niet om menselijke filosofieën te bevredigen, maar we doen dit met het oog op natuurbehoud. Voor natuurbehoud gaat het om een ecosysteem, en ecosystemen doen niet gewichtig over classificatieschema’s.’

    Moeten mensen proberen om toekomstige extincties te voorkomen? Elke soort sterft op een bepaald moment uit. Maar terwijl uitsterven normaal is in de evolutie van ecosystemen, drijft menselijke activiteit soorten sneller naar de rand van de afgrond dan ze zich kunnen aanpassen. Novak zegt dat het voorkomen van alle extincties een ‘goed doel’ is, maar de realiteit, voegt hij eraan toe, is dat regeringen geen prioriteit geven aan behoud boven exploitatie. ‘Hoe hard mensen ook hun best doen, een meerderheid van de mensheid werkt dat doel nog altijd tegen,’ zegt hij. ‘We kunnen alleen proberen uitsterven zo veel mogelijk te voorkomen en de wereld zo te diversifiëren dat er ecologische stabiliteit is om verdere extincties te voorkomen.’

    Dodo

    De dodo is een uitstekende kandidaat voor de-extinctie. Deze grote loopvogel, die ooit inheems was op Mauritius (en alleen op Mauritius), stierf uit toen in de zeventiende eeuw mensen zich op het eiland vestigden. Naast de wijdverspreide vernietiging van zijn habitat werd de dodo verder bedreigd door varkens, katten en apen die zeelieden meebrachten.

    Een team onder leiding van Beth Shapiro, hoogleraar ecologie en evolutiebiologie aan de Universiteit van Californië in Santa Cruz, heeft het genoom van de dodo met behulp van een museumexemplaar in Kopenhagen achterhaald. In theorie zou een dodo-achtige vogel kunnen worden gecreëerd door het genoom van de manenduif zodanig te bewerken dat het DNA van de dodo erin wordt opgenomen, maar zoals bij alle projecten om het uitsterven van dieren tegen te gaan, is het niet voldoende om het dier te creëren. Er moet een habitat zijn waarin het kan gedijen, anders heeft de hele operatie geen zin.

    ‘Als we prioriteit geven aan bescherming van soorten en ecosystemen is het van cruciaal belang dat we rekening houden met hoe onze planeet er over vijftig of honderd jaar uit zal zien, in plaats van ons te richten op het herstellen van ecosystemen uit het verleden,’ aldus Shapiro.

    ‘Nieuwe technologieën stellen ons in staat om de snelheid te verhogen waarmee soorten zich kunnen aanpassen’

    ‘Het grootste probleem voor veel soorten vandaag de dag is dat de snelheid waarmee hun leefomgeving verandert, te hoog is om de evolutie bij te benen. Daarvoor kunnen nieuwe technologieën van pas komen. We kunnen sequenties van genomen maken en beter geïnformeerde beslissingen rond fokprogramma’s nemen. We kunnen verloren gegane diversiteit weer tot leven wekken door klonen – zoals Elizabeth Ann, de zwartvoetbunzing – en we kunnen misschien zelfs adaptieve eigenschappen overdragen tussen populaties en soorten. Nieuwe technologieën stellen ons in staat om de snelheid te verhogen waarmee soorten zich kunnen aanpassen, en op die manier kunnen we misschien sommige soorten behoeden voor hetzelfde lot als de dodo en de mammoet,’ voegt ze eraan toe.

    De meeste de-extinctieprojecten zijn levensvatbaar omdat onderzoekers beschikken over levende cellen of over het volledige genoom van de verloren gegane soort, en over een naast familielid dat zowel genetisch sjabloon als surrogaatmoeder kan zijn voor het te ‘herrijzen’ dier. Het ontbreken hiervan in het geval van dinosaurussen kan een onoverkomelijke hindernis zijn.

    Het werk van Schweitzer, Bailleul en anderen betwist de uitleg in handboeken dat fossilisatie de complete vervanging van weefsel door steen is, ofwel leven dat letterlijk is versteend. Volgens hen is het een complexer proces waarbij soms ook moleculen van het levende wezen bewaard blijven, misschien wel gedurende tientallen miljoenen jaren.

    Gefragmenteerd DNA

    Maar ook als zacht weefsel in fossielen kan overleven, hoeft dat nog niet te gelden voor het DNA van dinosaurussen. Genetisch materiaal begint kort na de dood af te breken, dus wat bewaard is gebleven kan sterk gefragmenteerd zijn. Het oudste DNA dat tot nu toe is teruggevonden, is afkomstig van de tand van een miljoen jaar oude mammoet die in de permafrost van Oost-Siberië is bewaard. Het is goed mogelijk dat er nog ouder DNA wordt gevonden, maar zullen wetenschappers in staat zijn de code daarvan te lezen en te begrijpen hoe deze prehistorische wezens daaruit zijn gevormd?

    Er zijn nog meer complicaties, zegt Schweitzer. Gewapend met het volledige genoom van Tyrannosaurus rex zouden onderzoekers nog steeds geen idee hebben hoe de genen gerangschikt lagen op hoeveel chromosomen. Als die puzzel op de een of andere manier wordt opgelost, moet er nog steeds een naaste levende verwant worden gevonden die genetisch gemanipuleerd kan worden om de dinosaurusgenen te dragen. Vogels zijn verre verwanten van dinosaurussen, maar een struisvogel zal moeite hebben om een T-rex te voldragen. ‘Je kan gewoon het lijstje afgaan,’ zegt Schweitzer. ‘Als we dit kunnen oplossen, dan volgt er dit, en als we dit kunnen oplossen, dan komt er dat. Ik denk niet dat we er met technologie gaan komen, althans niet in de nabije toekomst.”

    Onderzoekers hebben al dinoachtige tanden, staarten en zelfs poten gecreëerd

    Maar wat als het op natuurlijke wijze kan worden bewerkstelligd? Een benadering die wordt voorgestaan door Jack Horner, de vroegere supervisor van Schweitzer, bestaat erin een levende verwant van de dinosaurus – de kip – te nemen en haar genoom te herschrijven om vogels te maken met dinosaurusachtige kenmerken. Door aan het genoom van vogels te sleutelen, hebben onderzoekers al dinoachtige tanden, staarten en zelfs poten gecreëerd, vergelijkbaar met die van de velociraptor. Ga zo door, zegt Horner, en je eindigt met een ‘kip-o-saurus’.

    Maar ook hier komen moeilijkheden bij kijken. Voor een duurzame populatie, met een gezonde genetische variatie, zijn misschien zo’n vijfhonderd dieren nodig. ‘Waar laten we die? Welke moderne soorten ga je met uitsterven bedreigen, zodat dinosaurussen weer een plaats krijgen op deze planeet?’ zegt Schweitzer. ‘We kunnen er misschien een in een dierentuin zetten waar mensen voor miljoenen dollars naar komen kijken, maar is dat eerlijk tegenover het dier?’

    Mysteries

    In plaats van te proberen de beesten na te maken, wil Schweitzer ze beter leren begrijpen. Organische moleculen, opgesloten in fossielen, kunnen licht werpen op de talloze mysteries die dinosaurussen omringen. Produceerden ze enzymen om meer voeding uit planten te halen? Hoe gingen ze om met het gehalte aan kooldioxide dat meer dan twee keer zo hoog was als tegenwoordig? En hoe behielden ze die vaak enorme afmetingen?

    ‘Ik geloof echt dat betere technologie en een beter begrip van degeneratie ons informatief DNA kan opleveren,‘ zegt ze. ‘Denk eens aan de vragen die we zouden kunnen beantwoorden als dat gebeurt – daar is het mij om te doen.

    ‘Ik durf niet te beloven dat we ooit een dinosaurus zullen zien rondlopen. Ik sluit het niet uit – dat moet je als wetenschapper nooit doen – maar ik denk dat de wens om een dinosaurus terug te brengen menselijke overmoed is. Zodat we kunnen zeggen dat het is gelukt. Dat mag niet de motivatie zijn.’

    Lees ook:

  • Kraanwater moet weer cool worden

    Kraanwater moet weer cool worden

    Waarom wordt overal ter wereld water uit flessen gedronken, zelfs in gebieden waar kraanwater betrouwbaar, veilig en bijna gratis is? Antwoord: omdat water uit de kraan niet het gigantische marketingbudget heeft waar multinationals 217 miljard dollar per jaar mee omzetten.

    Het Penrose Recreation Center in het noorden van Philadelphia heeft een nieuwe lik verf gekregen. Na de onthulling afgelopen september zien de omwonenden nu op een van de muren een helblauw portret van een heuse buurtgenote die met een grijns op haar gezicht een slok neemt uit haar navulbare drinkfles. Het is een van de twee muurschilderingen die het drinkwaterbedrijf van Philadelphia heeft laten maken om het plaatselijke kraanwater te promoten, toen aan het licht kwam dat veertig procent van de inwoners thuis uitsluitend flessenwater dronk. Ook bleek dat flessenwater vooral werd gekocht door mensen met een Afro-Amerikaanse of Zuid-Amerikaanse achtergrond en uit de lagere inkomensklasse.

    Dat was een zorgwekkende ontdekking, ‘vooral in een stad als Philadelphia, waar het kraanwater van verbazingwekkend goede kwaliteit is’, zegt Maura Jarvis van het plaatselijke drinkwaterbedrijf. De drinkwatervoorziening in de Verenigde Staten als geheel behoort tot de veiligste ter wereld en het water in Philadelphia voldoet aan de officiële veiligheidsnormen en valt binnen de geadviseerde grenzen voor bepaalde synthetische stoffen waarvoor nog geen regels bestaan. Het drinkwaterbedrijf heeft zich ten doel gesteld het vertrouwen in het plaatselijke kraanwater te herstellen. Maar dat zal niet meevallen.

    ‘Het slaat gewoon nergens op dat de kwetsbaarste gemeenschappen geld spenderen aan iets waarvoor ze niet zouden hoeven betalen’

    ‘We moeten concurreren met een gigantische flessenwaterindustrie die haar status quo wil behouden,’ zegt Jarvis. ‘Maar het slaat gewoon nergens op dat de kwetsbaarste gemeenschappen geld spenderen aan iets waarvoor ze niet zouden hoeven betalen.’

    De flessenwaterindustrie is wereldwijd goed voor een omzet van 217 miljard dollar, een bedrag dat jaarlijks 11 procent stijgt. En van de 29 miljard waterflessen die Amerikanen jaarlijks kopen wordt maar een op de zes gerecycled. De rest heeft duizend jaar nodig om te vergaan, waarbij de nodige vervuilende stoffen in de watersystemen terechtkomen. Volgens het Barcelona Institute for Global Health is de impact van het drinken van flessenwater op onze ecosystemen veertienhonderd keer hoger dan die van kraanwater en zijn er alleen om aan de vraag in de VS te voldoen al zeventien miljoen vaten olie per jaar nodig. Een zaak dus met grote gevolgen voor zowel milieu en volksgezondheid als sociale gelijkheid.

    Maar hoewel we weten dat flessenwater een aanslag is op onze portemonnee, onze gezondheid en onze planeet blijven we het kopen, zelfs in gebieden waar de toevoer van kraanwater betrouwbaar, veilig en bijna gratis is. Dus hoe kunnen we ervoor zorgen dat mensen voor het alternatief kiezen?

    Hoe massaal werd overgestapt op flessenwater

    Het idee om water te bottelen en naar nieuwe bestemmingen te transporteren ontwikkelde zich tot een commercieel fenomeen in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen Perrier agressief reclame begon te maken voor haar flessen bruisend H₂O als een chic, ambitieus alternatief voor kraanwater. In de jaren negentig volgden Coca-Cola en Pepsi, die hun distributienetwerken gebruikten om de markt te overspoelen met hun eigen merken flessenwater.

    Wat er in deze flessen zit is niet per se beter, zoals tests uitwijzen. Maar flessenwater heeft iets heel belangrijks wat kraanwater mist: een gigantisch marketingbudget. Richard Wilk, hoogleraar antropologie aan Indiana University, schreef in 2006 in het Journal of Consumer Culture dat de alomtegenwoordigheid van flessenwater te danken is aan marketeers, of zoals hij het uitdrukt, ‘tovenaars die alledaagse en in overvloed aanwezige zaken in exotische kostbaarheden veranderen’. Tegenwoordig zijn er zelfs chique hotels en restaurants die watersommeliers aanstellen.

    ‘Overal waar ik kom in Duitsland zeggen mensen me dat ze het beste kraanwater van het land hebben’

    Door lyrische verhalen op te hangen over natuurlijke bronnen en hun flessen te versieren met plaatjes van gletsjers en bossen, hebben ze ons ervan overtuigd dat wat zij verkopen gezonder, smakelijker en natuurlijker is dan wat via leidingen ons huis binnenkomt. Die strategie is zo succesvol dat velen zich niet realiseren dat de bron van hun water veelal dezelfde is als die van ons. ‘Deze bedrijven kunnen miljarden dollars aan reclame besteden,’ zegt Wilk. ‘Een staats- of gemeentebestuur dat met zijn beperkte middelen ook nog duizend andere dingen moet doen, kan met geen mogelijkheid op tegen de marketing van een softdrinkbedrijf.’

    Sam Höller werkt voor a tip: tap, een non-profitorganisatie die kraanwater promoot in Duitsland. Hij zegt: ‘Overal waar ik kom in Duitsland zeggen mensen me dat ze het beste kraanwater van het land hebben. Dat is geweldig nieuws, zeg ik dan. Ik ken meer mensen zoals jullie.’ Toch is flessenwater een bloeiende bedrijfstak die aan veel mensen werk biedt, zodat het promoten van een gratis alternatief minder makkelijk is dan je zou denken. Maar a tip: tap doet zijn best. In Berlijn heeft de organisatie sinds 2010 het aantal openbare waterfonteintjes helpen groeien van zestien tot meer dan tweehonderd.

    Hoe de kraan terrein wint

    Langzaam maar zeker worden consumenten zich bewuster van het afval dat flessenwater produceert en stappen ze over op navulbare waterflessen of eisen ze betere verpakkingsalternatieven. Toen Kim Kardashian haar Instagramvolgers in 2020 een rondleiding gaf in haar keuken, zullen ze hebben gezien dat haar koelkast uitsluitend water bevatte van merken die glas of karton als verpakking gebruiken en geen plastic. In 2019 promootte Gwyneth Paltrow gebotteld water van Flow, een B-merk dat recyclebare Tetra Pak-verpakkingen gebruikt.

    PepsiCo verwierf in 2020 voor 3,2 miljard dollar SodaStream, een merk dat van kraanwater bruiswater maakt

    Ook grote bedrijven beginnen zich aan te passen aan de veranderende consumentenvoorkeur. Volgens Euromonitor is de verkoop van flessenwater in Duitsland (de op een na grootste Europese consument van het product) in 2021 met drie procent gedaald. Dit leidde ertoe dat Coca-Cola in 2021 zijn merk Apollinaris uit de Duitse supermarkten haalde, nadat de verkoop van hun segment ‘hydrateringsproducten’ met 11 procent was gedaald. PepsiCo verwierf in 2020 voor 3,2 miljard dollar SodaStream, een merk dat van kraanwater bruiswater maakt. Ondertussen lanceert zowel Danone als Nestlé zijn eigen systeem om thuis kraanwater een smaakje te geven, te laten bruisen en te filteren.

    Maar de Europese campagnegroep Break Free From Plastic klaagt dat de reactie van de grote bedrijven op het plasticprobleem meestal voorbijgaat aan de kern van de zaak. In plaats daarvan besteden ze de meeste energie aan het hypen van onbewezen technieken, het verleggen van de verantwoordelijkheid naar de consument of het simpelweg aankondigen van projecten die nooit zullen worden gerealiseerd. Wat echt nodig is, is een transitie naar nieuwe systemen die zijn gebaseerd op hergebruik, aldus de campagnegroep.

    Hoe de regels worden veranderd

    Vorig jaar heeft de Europese Unie verscheidene plastic items voor eenmalig gebruik in de ban gedaan, maar geen flessen. De VN hebben zich voorgenomen een eind te maken aan de plasticvervuiling, maar een bindende overeenkomst laat nog op zich wachten. Toch is er op plaatselijk niveau al een aantal succesverhalen. In Cape Cod, Massachusetts, heeft de campagnegroep Sustainable Practices actie gevoerd om de verkoop van flessenwater binnen de gemeentegrenzen te verbieden. Negen gemeenten hebben het idee inmiddels overgenomen en toegepast. ‘Flessenwater komt uit een bron in iemands gemeente. Het komt niet van een andere planeet,’ zegt Madhavi Venkatesan, verbonden aan de economische faculteit van Northeastern University in Boston en directeur van Sustainable Practices. ‘Dus zitten er dezelfde vervuilende stoffen in als in je plaatselijke water, maar met een plastic fles vererger je die vervuiling.’

    Het verbieden van plastic flessen is een voortdurende strijd: zo gaat het dorp Sandwich in Massachusetts binnenkort voor de derde keer over de kwestie stemmen, nadat het verbod vorig jaar tot tweemaal toe door de gemeenteraad was goedgekeurd en vervolgens weer verworpen. Volgens Venkatesan maken tegenstanders van het verbod (dat tijdens de laatste campagne 38 van de 300 stemmen tekortkwam) zich vooral zorgen over de gevolgen voor winkeliers of willen ze het gemak behouden van het kopen van flessenwater.

    In 2019 verbood de luchthaven van San Francisco de verkoop van plastic waterflessen voor eenmalig gebruik

    In 2019 verbood de luchthaven van San Francisco de verkoop van plastic waterflessen voor eenmalig gebruik. Voor 95 procent van de in plastic gebottelde waterproducten kon de luchthaven een geschikte alternatieve verpakking bieden. ‘De winstmarge voor onze verkopers is nagenoeg gelijk gebleven,’ zegt Erin Cooke, directeur duurzaamheid van de luchthaven. ‘En we hebben ze de mogelijkheid geboden meer premiumproducten te verkopen, zoals herbruikbare flessen van glas of ander materiaal.’ Om het makkelijker voor consumenten te maken om hun eigen waterfles mee van huis te nemen, heeft de luchthaven honderd navullocaties geïnstalleerd en wordt reizigers meegedeeld dat ze met een lege waterfles moeiteloos door de security komen.

    Waar San Francisco een ongebruikelijk verbod op plastic flessen heeft ingesteld, ondernemen veel andere luchthavens stappen om alternatieven aan te bieden. De luchthaven van Manchester in het VK heeft zich aangesloten bij het landelijke programma Refill, dat mensen met behulp van een app helpt de dichtstbijzijnde plek te vinden om hun fles te vullen.

    Terug naar Philadelphia, waar het drinkwaterbedrijf blijft peilen hoe inwoners over kraanwater denken, om te zien of de boodschap doorkomt. Het is nog te vroeg om de effectiviteit van de campagne te kunnen beoordelen, zegt Maura Jarvis, maar de houding is al een klein beetje positiever geworden. ‘Mensen moeten zelf kiezen wat het beste is voor hun gezin en hun huishouden,’ zegt ze. ‘Maar ik wil niet dat ze voor flessenwater kiezen zonder dat ze de feiten kennen.’

  • Wetenschappers: kameleons kleuren feller in omgeving zonder natuurlijke vijanden

    Wetenschappers: kameleons kleuren feller in omgeving zonder natuurlijke vijanden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VN-onderzoek: Israëlische leger doodde Al Jazeera-journalist Shireen Abu Akleh

    » Pakistan heeft vermoedelijk brein achter aanslagen Mumbai gearresteerd

    Fellere kleuren zijn voorbeeld van snelle evolutie

    Kameleons kleuren feller als ze zich in een omgeving bevinden zonder natuurlijke vijanden. Dat blijkt uit een studie die Science Advances publiceerde en waarvan Daily Maverick melding maakt. De soort die werd onderzocht is de Oost-Afrikaanse driehoornkameleon (Triocerus j. Xantholophus), die in de jaren zeventig per ongeluk op Hawaï terechtkwam.

    De studie laat zien dat de Hawaiiaanse kameleons veel feller gekleurde sociale signalen afgeven dan hun soortgenoten in de oorspronkelijke leefgebieden in Kenia. De oorzaak is de afwezigheid van roofvogels en slangen, die het op kameleons gemunt hebben. De studie noemt dit een voorbeeld van snelle evolutie.

    In het dierenrijk kunnen felle kleuren de aandacht trekken van roofdieren met scherpe ogen

    In het dierenrijk kunnen felle kleuren de aandacht trekken van roofdieren met scherpe ogen. Dat vermindert de overlevingskans en reproductieve geschiktheid. Wanneer vervolgens het voortbestaan van de soort wordt bedreigd, werkt natuurlijke selectie als een rem. De kameleons worden in hun zichtbare delen minder fel gekleurd, terwijl de felle kleuren alleen nog te zien zijn op lichaamsdelen die minder zichtbaar zijn voor roofdieren.

    Omgekeerd zorgen felle kleuren ervoor dat de conditie van de soort beter wordt. Hoe helderder en kleurrijker de mannetjes, hoe aantrekkelijker ze worden voor de vrouwtjes en hoe gemakkelijker ze kunnen winnen van hun rivalen.

    Lees ook:

  • VS: wegwerpplastic vanaf 2032 verboden

    VS: wegwerpplastic vanaf 2032 verboden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Biden belooft economische hulp en ‘ambitieuze acties’ voor Latijns-Amerika

    » Oekraïens graan: Turks voorstel stuit op bezwaren van Kyiv en Moskou

    VS doen plastic voor eenmalig gebruik in de ban

    De VS gaan plastic voor eenmalig gebruik verbieden tegen 2032, kondigde de regering-Biden woensdag aan. Nu zullen degelijke producten op federaal grondgebied van de VS, met inbegrip van nationale parken, al geleidelijk worden beperkt, met als doel dat wegwerpplastic tegen 2032 helemaal niet meer geleverd of verkocht worden, aldus San Francisco Chronicle. De maatregel omvat onder meer plastic flessen en tassen. Het plastic zal vervangen moeten worden door bijvoorbeeld papieren zakken, biologisch afbreekbare of 100 procent gerecyclede materialen, of glazen flessen.

    Milieuactivisten juichen de aankondiging toe. Onlangs hebben honderden milieuorganisaties bij minister van Binnenlandse Zaken Deb Haaland erop aandrongen het gebruik van wegwerpplastic in natuurgebieden te verbieden. ‘Onze nationale parken zijn per definitie beschermde gebieden, en toch zijn we er al veel te lang niet in geslaagd om ze te beschermen tegen plastic,’ zei Christy Leavitt, directeur van de antiplasticcampagne van Oceana, een groep die opkomt voor de natuur.

    Slechts 9 procent van al het plastic wereldwijd wordt gerecycled

    Het gebruik van plastic is de afgelopen decennia explosief gestegen en heeft een ravage aangericht in zeeën en het milieu, merkt San Francisco Chronicle op. Meer dan 14 miljoen ton plastic stroomt jaarlijks de oceaan in, volgens een rapport van de International Union for Conservation of Nature. Dat komt doordat slechts 9 procent van al het plastic wereldwijd wordt gerecycled, en omdat het materiaal niet biologisch afbreekbaar is.

    Lees ook:

  • Duizenden aangespoelde dolfijnen door oorlog Oekraïne, aldus wetenschappers

    Duizenden aangespoelde dolfijnen door oorlog Oekraïne, aldus wetenschappers

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Soedan: na drie jaar nog geen gerechtigheid voor slachtoffers politiegeweld

    » Onderzoek: steeds minder besneeuwde bergtoppen in Alpen

    Gevechten langs Oekraïense kustlijn zorgen voor milieuschade

    De duizenden aangespoelde dolfijnen op de kusten van de Dode Zee zijn waarschijnlijk het gevolg van de oorlog in Oekraïne, zo meldt The New York Times. De gevechten langs de Oekraïense kustlijn hebben onnoemelijke milieuschade aangericht en hebben de habitat van de dolfijnen verstoord, aldus wetenschappers.

    Recente studies uit Bulgarije, Turkije en Oekraïne tonen aan dat door de oorlog de biodiversiteit in zee in toenemende mate wordt bedreigd: er vallen bommen in voedselrijke gebieden aan de kust, olie lekt uit gezonken schepen, en uit de rivieren stroomt water naar zee dat vervuild is door chemicaliën die in munitie worden gebruikt.

    Ivan Roesev, een milieuwetenschapper verbonden aan het nationaal park Toezly in Oekraïne, zei dat uit gegevens die sinds het begin van de oorlog door zijn organisatie zijn verzameld, blijkt dat enkele duizenden dolfijnen zijn gedood. Volgens Roesev kunnen het toegenomen lawaai van schepen en het gebruik van krachtige sonarsystemen ook de dolfijnen desoriënteren, die geluid gebruiken om te navigeren. ‘Sommige dolfijnen hadden brandwonden van bom- of mijnexplosies en konden niet meer navigeren en natuurlijk ook niet meer naar voedsel zoeken’, schrijft Roesev.

    Voor de oorlog lag het aantal dolfijnen in de Zwarte Zee op 253.000

    Ook de Turkse organisatie voor zeeonderzoek meldt ‘een uitzonderlijke toename’ van dode dolfijnen die aanspoelen aan de Turkse kust.

    De Russische marine domineert de Zwarte Zee voor de kust van Oekraïne en heeft een blokkade opgelegd aan alle Oekraïense scheepvaart. Daardoor is het onmogelijk om gedetailleerde wetenschappelijke informatie te verzamelen, zodat de massale dolfijnensterfte vooralsnog een mysterie blijft.

    Vóór de oorlog hebben honderd wetenschappers van een internationale verdragsgroep voor het behoud van walvisachtigen met behulp van tien vliegtuigen en zes schepen onderzoek gedaan naar het zeeleven in de Zwarte Zee en het Middellandse Zeegebied. Zij stelden vast dat de Zwarte Zee meer dan 253.000 dolfijnen herbergde, een gezond aantal, dat volgens de wetenschappers een positieve ecologische indicator was van het totale ecosysteem. Het valt nu echter nog te bezien wat de uiteindelijke tol van de oorlog zal zijn voor dolfijnen en ander zeeleven.

    Lees ook:

  • Canada betaalt historische schadevergoeding aan inheemse gemeenschap

    Canada betaalt historische schadevergoeding aan inheemse gemeenschap

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Wapens voor Oekraïne kunnen bij criminelen terechtkomen, waarschuwt Interpol

    » Biden bezoekt Saoedi-Arabië – ondanks belofte om oliestaat als paria te behandelen

    Trudeau keert 1 ,3 miljard dollar uit aan de Siksika

    Canada zal 1,3 miljard dollar aan de Siksika, een inheemse gemeenschap, betalen wegens het afnemen van grondgebied. Het was een ‘historische’ overeenkomst die donderdag werd ondertekend door de Canadese premier Justin Trudeau en het hoofd van de Siksika, Ouray Crowfoot, aldus Calgary Herald.

    Tijdens een ceremonie in Alberta heeft Canada toegezegd het equivalent van 960 miljoen euro te betalen aan de inheemse gemeenschap in het westen van het land, als genoegdoening voor de onteigening van een deel van haar land aan het begin van de twintigste eeuw. Ook zal de Siksika op termijn 46.500 hectare land uit de omliggende gebieden kunnen verwerven.

    ‘Vandaag hebben we, zonder het verleden te vergeten, de kans om naar de toekomst te kijken’

    Het is een van de grootste schadevergoedingen voor grondonteigening in Canada ooit. Volgens Justin Trudeau heeft Canada op een ‘onwaardige manier’ gehandeld en heeft ze de gemeenschap beroofd van haar ‘vruchtbare en mineraalrijke land’.

    ‘Ik begrijp dat we nog veel werk te verzetten hebben op het pad van verzoening,’ zei Trudeau. ‘Maar vandaag hebben we, zonder het verleden te vergeten, de kans om naar de toekomst te kijken.’

    Lees ook:

  • Het bruine goud: mensenmest

    Het bruine goud: mensenmest

    Als we bereid zijn die diepgewortelde afkeer van onze uitwerpselen te overwinnen, beschikken we over een verbijsterend grote berg hernieuwbare en duurzame mest. Reken maar eens uit wat 7 miljard mensen 365 dagen per jaar produceren.

    Als in het najaar de grijze lucht boven Kazan bezwangerd raakte met donkere, zware wolken die zo vol water zaten dat de regen pas ophield wanneer deze in sneeuw veranderde, maakte mijn grootvader onze kleine familieboerderij gereed voor de lange Sovjetwinter. Hij trok zijn stevige overall, zware handschoenen en grote laarzen aan en begaf zich naar de tank die het hele jaar door het afvalwater van ons huishouden opving en zuiverde. Hij tilde het zware deksel op, bond twee oude emmers aan stevige touwen en bracht de inhoud van de tank naar ons stuk land. Dat kostte hem uren. Als ik thuiskwam van school wist ik op anderhalve kilometer afstand dat opa bezig was met ons jaarlijkse sanitaire onderhoud. Het was van ver te ruiken, en die geur vermengde zich met andere herfstaroma’s – zoals rottende bladeren, natte honden en verkoold varkensvet dat voor de winter werd gerookt.

    Het was een geur die, hoe doordringend ook, geen walging bij mij opriep

    Het was een geur die, hoe doordringend ook, geen walging bij mij opriep. Integendeel, het hele proces fascineerde me. Het vond maar één keer per jaar plaats en was dus heel bijzonder, zoals Oudjaarsavond, mijn favoriete feest. Slechts één keer per jaar mocht de put worden geopend, als een groot verjaardagscadeau, en mijn opa was steeds de uitverkorene. Ik mocht niet in de buurt komen, omdat mijn oma bang was dat ik erin zou vallen.

    Steeds als ik mij door doornstruiken en brandnetels een weg naar de tank wilde banen, verscheen ze als een duveltje uit een doosje op de veranda en schreeuwde dat ik onmiddellijk terug moest komen.  Ach, wat had ik er veel voor gegeven om het geheimzinnige darmenstelsel van onze waterzuivering te mogen aanschouwen. Ik zou er een moord voor hebben gepleegd om die met bakstenen beklede ingewanden vol bruine smurrie te mogen zien. Maar het was me enkel toegestaan die magische wereld van mijn grootvader van een afstand te bekijken.

    Opa ging niet over één nacht ijs. Zo hanteerde hij een systeem van slibverdeling. Hij vulde de emmers nooit helemaal, zodat de klotsende drek bij het dragen niet op zijn laarzen morste. Soms droeg hij de emmers met de hand, soms hield hij ze in evenwicht op een koromyslo – een gebogen houten paal die overdwars op de schouders rustte om de last gelijkmatig te verdelen. Hij prikte gaatjes in de tomatenbeddingen waar de uitgedroogde planten geen vrucht droegen die door het rioolwater verontreinigd kon worden – goot er de smurrie in en bedekte de gaten met aarde. Hij besprenkelde de grond rond de wortels van de appel- en kersenbomen en harkte er wat bladeren overheen, zodat wij er, als wij daar rondliepen, onze voetzolen niet mee zouden besmeuren. En hij gooide ook wat drek op het organisch afval in een van de composteringsputten. Putten waar Moeder Natuur haar zwarte goud smeedde. 

    Borneo 2
    Kuching Sarawak, Borneo, 1908. Een man in traditionele Chinese kleding giet menselijke fecaliën op zijn groentetuin.  © A.R. Wellington.

    Put van dienst

    En ook hier was sprake van een systeem. De drie composteringsputten werden per toerbeurt gebruikt. Tijdens het groeiseizoen verdween al ons organische afval – verwelkte bloemen, onkruid, verschrompelde stengels van komkommerranken – in de put van dienst. Ook ons keukenafval, zoals aardappelschillen en beschimmeld brood, vond er zijn eindbestemming. Aan het einde van het seizoen mengde opa het slib erdoor en sloot hij de put voor een paar jaar af. Zo kon het ontbindings- en afbreekproces ongestoord zijn beslag krijgen. Wanneer hij twee jaar later, in het voorjaar, het deksel weer lichtte, was al het dode en stinkende spul weg en zat de put vol zachte, rijke en vruchtbare aarde die rook naar natuur, lente en de belofte van een mooie aanstaande oogst. Die verse aarde was rul en luchtig als zwarte poedersuiker.

    De wortels van de planten waren er dol op, en ik ook. Het was een weldaad dat zachte spul in mijn handpalmen te voelen, een voorrecht om er de kleine groene tomatenscheuten in te steken. Scheuten die nu al een vaag aroma afgaven, de voorbode van zoet, karmozijnrood fruit. 

    We namen van de aarde, dus we moesten haar ook iets teruggeven

    ‘Je moet de aarde voeden zoals je mensen voedt,’ zei mijn grootvader altijd. Ik vond dat een prachtige uitspraak, waaruit de wijsheid van de natuur sprak. We namen van de aarde, dus we moesten haar ook iets teruggeven. De zomers waren hier kort en vaak koel en regenachtig, maar in grootvaders boomgaard begonnen aardbeien in juni rood te kleuren en rijpten tomaten tot in september. Onze appel- en kersenbomen bloeiden en droegen elk jaar vrucht. Het geurde in de lente en smaakte heerlijk in de herfst. Voor mij was dit de omloop van het leven, en onze uitwerpselen waren daar net zo’n onlosmakelijk deel van als wij mensen een onlosmakelijk deel waren van de natuur. Het was geen afstotelijke viezigheid, maar krachtige mest die we in ons meedroegen.

    Dat blijkt opmerkelijk genoeg ook uit onze taal. In het Russisch is het woord voor mest udobrenie, een afgeleide van dobró, dat ‘goed’ of ‘rijk’ betekent. Poepgrappen draaiden ook om die begrippen. Toen mijn neefjes en nichtjes zindelijk werden, zeiden we, als ze op de pot zaten, dat ze hun dobró of bogatstvo – rijkdommen – afgaven. Ik wist dat mensen die in grote appartementencomplexen woonden geen tanks hadden, maar ging er voetstoots van uit dat ook hun zogeheten rijkdommen op de een of andere manier naar de bodem terugkeerden. Die mensen moesten toch ook eten? De aarde kon niet eeuwig produceren als ze niet werd gevoed – dan werd ze onvruchtbaar. Ik dacht dat iedereen naar dit principe leefde.

    Prostitutes LR
    In China reden fenfu met karren langs de huizen en leegden de emmers van de bewoners in houten containers waar zo’n 30 kilo aan uitwerpselen in kon. In Zwitserland werden prostituees voor straf ingeschakeld om de strontkar te trekken. © Gravure van Warren, 1790.

    Andere kijk

    Toen ik volwassen werd – en nadat de overheid ons had onteigend en we naar de Verenigde Staten waren geëmigreerd – kwam ik er erachter dat de meeste mensen een heel andere kijk op hun stofwisseling hadden dan ik. Het schokte me. Om te beginnen hadden ze geen idee waar hun uitwerpselen heen gingen. Ze wisten ook helemaal niets van de waarde ervan. Het beste wat je ermee kon doen, zo dachten ze, was doorspoelen en vergeten – en dat deden ze grif. Probleem is alleen dat de aarde al die stront simpelweg niet kan verwerken, en vooral niet op de manier waarop we die uitscheiden. Moeder Aarde komt om in onze poep.

    Een gemiddelde volwassene produceert ongeveer een halve kilo poep per dag. De stad New York, met zijn ruim acht miljoen inwoners, pompt dus zo‘n vier miljoen kilo aan uitwerpselen in zijn riool. Tokio overtreft die hoeveelheid met zo’n 4,15 miljoen kilo per dag. Beijing, een enorme stedelijke kluwen van 21,3 miljoen inwoners, overtreft New York en Tokio tezamen. Stel je nu eens de verbijsterende berg uitwerpselen voor die 7 miljard aardbewoners in slechts een etmaal voortbrengen. Vermenigvuldig dat nog eens met 365 dagen per jaar, en het duizelt je: holy crap!

    Ongeacht land of cultuur, we houden ons afval meestal op zo groot mogelijke afstand

    Wat doen we met al die poep? We distantiëren ons er zo veel mogelijk van. Hoe dat precies in zijn werk gaat hangt af van waar je woont. In de westerse wereld spoelen we de zaak door de wc. In armere gebieden wordt de drol achtergelaten in een latrine of onder een boom. Ongeacht land of cultuur, we houden ons afval meestal op zo groot mogelijke afstand. Onze afkeer ervan is universeel. Het zijn uitwerpselen, en die zijn per definitie vies, een belediging voor het oog en het reukorgaan. 

    Die houding is ook wel te begrijpen. Uitwerpselen zijn linke shit. Als het aan de natuur ligt, levert poep de mens direct gevaar op. De voedingsstoffen die erin zitten – stikstof, fosfor en onverteerde eiwitten – zorgen voor een enthousiaste toestroom van ziekteverwekkers. Sommigen doen zich aan die stoffen tegoed, anderen leggen er eitjes in. Komen uitwerpselen in het drinkwater terecht, dan kan dit leiden tot dodelijke uitbraken van cholera en dysenterie, en ziekten door darmwormen. Zo vreemd is het dus niet dat mensen een behoorlijk ingewikkelde relatie hebben met hun eigen afval.

    Simpeler

    Voor onze nomadische voorouders lag het allemaal wat simpeler. Zij deden hun behoefte tijdens een rustpauze en trokken onbekommerd verder. Maar toen mensen op één plek gingen wonen en zich op de landbouw stortten, konden ze hun mest niet langer achter zich laten, dus stopten ze die in kuilen of dumpten hem in rivieren. Sommige voorouders uit de steentijd konden al doorspoelen – in Skara Brae, een prehistorisch dorp in het huidige Schotland, hadden de woningen een soort hydraulisch toilet. De Romeinen bouwden gemeenschappelijke toiletten met zittingen die vergelijkbaar waren met de onze; de ongewenste substantie viel in een goot, waar stromend water deze via rioolbuizen naar buiten de stadsmuren voerde. Europese middeleeuwers bouwden latrines; de grote boodschap belandde in vaten, die werden verzegeld en ondergronds begraven.

    Zelfs nu nog sterven er jaarlijks 827.000 mensen in ontwikkelingslanden aan diarreeziekten

    Toen de mensheid zich in steden samenpakte, was de beer echter los. Het storten van afval in lokaal water bleek gevaarlijk – mensen die stroomopwaarts woonden, verontreinigden het drink- en waswater van hun buren stroomafwaarts, waardoor ziekten uitbraken. De beruchte cholerapandemieën die in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw Europa teisterden, waren te wijten aan fecale besmetting van drinkwater. Zelfs nu nog sterven er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie jaarlijks 827.000 mensen in ontwikkelingslanden aan diarreeziekten. Schattingen van de Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention zijn nog somberder: dagelijks sterven er ruim tweeduizend kinderen aan diarreeziekten – meer dan aan aids, malaria en mazelen bij elkaar. In het Westen hebben we doorspoeltoiletten, ondergrondse leidingen en gigantische rioolwaterzuiveringsinstallaties gebouwd om onszelf te beschermen tegen onze kolossale bergen uitwerpselen. Ondertussen hebben deze wonderen van moderne techniek grote ecologische schade veroorzaakt. 

    Wetenschappers noemen dit verschijnsel de metabolische kloof, of de herverdeling van voedingsstoffen over de planeet. Het grijpt eigenlijk terug naar het idee van mijn grootvader dat je de aarde moet voeden. Zeker in gebieden waar een koud klimaat heerst, is het voedsel bijna altijd elders geteeld. Bananen, appels, sla, mais en rijst komen tot wasdom doordat ze voedingsstoffen aan de bodem onttrekken. Al dat fruit en al die groenten worden vervolgens per vrachtwagen vervoerd, verscheept en gevlogen naar waar we wonen, en waar we het eten en deze organische stoffen weer uitscheiden. Maar niet zoals mijn grootvader wist dat het moest: we brengen ze niet terug naar waar we ze vandaan hebben gehaald, zoals hij deed. We rijden, varen of vliegen deze organische overvloed niet terug naar het land. We spoelen die door de afvoer.

    Man
    Menselijke uitwerpselen werden in de negentiende eeuw als mest gebruikt: met een lantaarn en een schep gaat deze man op weg om het vat op zijn rug te vullen. © Aquarel van Zhou Pei Qun, ca. 1890.

    Foochow LR
    ‘Koester de nachtaarde als ware zij goud.’ Chinese vrouw met juk en emmers verzamelt ‘nachtaarde’ om de theeplantage te bemesten, even buiten Fuzhou in de provincie Fukien. – © John Thomson, 1871 / The Wellcome Library, Londen

    Echte stront

    Onze plaatselijke rioolwaterzuiveringsinstallaties halen ziekteverwekkers uit het water, maar niet de stikstof, de fosfor en het kalium waar dit afvalwater rijk aan is. Deze krachtige meststoffen stromen meestal een nabijgelegen waterlichaam in, met permanente overbelasting van meren, rivieren en zeeën tot gevolg. Giftige algen komen tot bloei, de vissensterfte neemt toe, waterlopen die biologisch niet zijn toegerust om zo veel meststoffen op te nemen raken in verval. Onze aarde zit biologisch niet zo in elkaar dat zij voedsel blijft leveren zonder dat wij haar voeden.

    Omdat we onze stront niet terugsturen naar waar het voedsel vandaan komt, gaat de herverdeling van voedingsstoffen wereldwijd door. Bodems worden minder vruchtbaar, dus gebruiken we kunstmest, die lang niet zo goed werkt als echte stront en ook erg vervuilend is. In onze pogingen onszelf te ontdoen van onze dubieuze donkere materie, schenden we essentiële regels en wetten van Moeder Natuur. Door onze poep aan de ecologische balans te onttrekken hebben we niet alleen onze landbouw ingrijpend veranderd, maar ook onze hele leefomgeving dramatisch verstoord.

    We moeten ons organische afval terugsturen naar waar ons voedsel vandaan komt

    Voor een stabiele voedselvoorziening en een gezond ecologisch systeem is het van essentieel belang dat we deze breuk herstellen. Daarvoor moeten we een manier zien te vinden om ons organische afval terug te sturen naar waar ons voedsel vandaan komt. Dat moet mogelijk zijn; per slot van rekening was mijn grootvader niet de enige die van deze noodzaak op de hoogte was. Sommige zuinigere, oude samenlevingen hadden zich deze ecologische wijsheid lang vóór ons eigen gemaakt. Feces waren ooit zeer gewild, er zijn dus goede voorbeelden voorhanden om van te leren.

    Nachtaarde

    In 1737 vaardigde een keizer van de Qing-dynastie in China een decreet uit dat al zijn onderdanen verplichtte hun uitwerpselen voor goed gebruik te bewaren. Die uitwerpselen werden ‘nachtaarde’ genoemd, omdat ze meestal in de kleine uurtjes werden ingezameld, wanneer mensen hun po hadden buitengezet. In de provincie Jiangnan in het zuiden van China waren fecaliën booming business. In het noorden van China raakte je ze juist aan de straatstenen niet kwijt. Dit schrijnende contrast bracht de keizer ertoe een verhandeling te schrijven. ‘De straten in het noorden zijn niet schoon,’ stond daarin. ‘Het land is smerig. De noorderlingen moeten het voorbeeld van Jiangnan volgen. Elk huishouden zou nachtaarde moeten verzamelen.’ Het eindoordeel, dat de titel van het decreet werd, was even duidelijk als poëtisch: ‘Koester de nachtaarde als ware zij goud’. 

    De zuiderlingen waren niet voor niets happiger op nachtelijke afvalverzameling dan hun noordelijke landgenoten. In het zuiden lagen destijds enkele van de grootste steden ter wereld. Hangzhou, een belangrijke zeehaven, had ruim 3 miljoen inwoners. Een andere reusachtige agglomeratie, Suzhou aan de Yangtze, telde 6,5 miljoen zielen. Al deze mensen moesten eten, dus waren boeren gedwongen een enorme hoeveelheid producten te verbouwen. Elk beetje mest was daarom kostbaar. En menselijke uitwerpselen waren als mest broodnodig, anders zou er nooit genoeg voedsel voor iedereen zijn geweest. Het ophalen van nachtaarde was een belangrijke en zeer respectabele broodwinning, zoals Donald Worster beschrijft in The Good Muck (2017), zijn ‘uitwerpselengeschiedenis’ van China.

    De fenfu, ophalers van nachtaarde, reden met hun karren door de straten en leegden de emmers van de bewoners

    De fenfu, ophalers van nachtaarde, reden met hun karren door de straten en leegden de emmers van de bewoners in houten containers waar zo’n 30 kilo aan uitwerpselen in kon. De karren konden zes tot tien containers dragen, dus maximaal 300 kilo. Wie dit werk graag wilde doen maar geen geld had om een ​​kar te kopen, kon beginnen met emmers sjouwen aan een stok die overdwars op de schouders rustte – niet heel anders dan zoals mijn bloedeigen opa het deed. De fenfu legden dagelijks een route af waarlangs de vruchtbare drek stond opgesteld, en een route waarlangs ze die de stad uit droegen. Aldaar werden er gondels mee volgeladen, met een afdekking van stro tegen de stank, en dan was het op naar het platteland. Daar werd de metabolische opbrengst van de stad verwerkt, dat wil zeggen: verspreid, gedroogd en gesorteerd, op basis van de waarde. 

    Die waarde was namelijk niet altijd gelijk. Het aanbod van de rijken ging naar de hoogste bieder, omdat ze beter aten en dus meer voedingsstoffen afgaven. De productie van de armen bracht minder op. Rijke boeren kozen voor dure mest, die waarschijnlijk tot beter gewas leidde, dat weer tegen hogere prijzen kon worden verkocht. Mest was geld, en zo gingen de boeren er ook mee om: het spul ging achter slot en grendel in containers. 

    Goud waard

    Stront was goud waard, letterlijk. In Japan werd de waarde ervan in goud gemeten. Volgens japanoloog Susan Hanley kon je met één ryo goud genoeg graan kopen om één persoon een jaar lang te voeden. De prijs van nachtaarde die door tien huishoudens een jaar lang werd geproduceerd, was een halve ryo. De Japanse naam voor nachtaarde was kernachtig en ter zake doend: shimogoe, letterlijk ‘achterwerkmest’. In de zich snel ontwikkelende steden Osaka en Edo (het huidige Tokio) was er zo’n grote vraag naar dat bestuursorganen genoodzaakt waren om er een strikt systeem van rechten en voorschriften op na te houden. Als een gezin een huis huurde, wie had dan de rechten op de uitwerpselen – de huurders of de verhuurder? Het lijkt misschien logisch dat de huurders, die het produceerden, het eigendomsrecht mochten opeisen, maar de pre-industriële Japanse wetgevers dachten daar anders over. Ze schonken de waardevolle shimogoe-rechten aan de verhuurders, die het aan de inzamelaars verkochten, die het op hun beurt weer aan de boeren sleten. 

    In sommige gevallen stelden boeren tsuke-tsubo op, rechtstreekse contracten met stedelijke poepproducenten. De bewoners beloofden de boer alle poep die ze een jaar lang produceerden, in ruil voor een hoeveelheid rijst als aanbetaling. Dankbare boeren gaven hun contribuanten soms geschenken in de vorm van speciale rijstsnacks, ook wel ‘mestkoekjes’ genoemd.

    Welvarende boeren knoopten relaties aan met daimyo, feodale heren die grote landgoederen bezaten en veel bedienden hadden, waardoor ze veel shimogoe voortbrachten. De boeren voorzagen de landgoederen van brandhout en jonge aanplant voor moestuinen, in ruil voor het voorrecht om de hoogwaardige shimogoe van de daimyo in te zamelen. De daimyo en hun bedienden aten goed, dus was hun nachtaarde zeer voedselrijk.

    In 1724 braken tussen twee groepen dorpen poepoorlogen uit

    Het was niet ongewoon dat boeren onderling strijd voerden over het recht op shimogoe-inzameling. In de zomer van 1724 braken tussen twee groepen dorpen poepoorlogen uit. Ze vochten om de rechten nachtaarde te verzamelen uit verschillende delen van Osaka. In reactie richtten de stedelingen eigen organisaties op. Die hielden toezicht op de handel in nachtaarde en op onderhandelingen over prijzen – zo verhoogden ze in een moeite door hun eigen poeptarieven. Sommige arme boeren kwamen in grote problemen doordat ze de mest niet meer konden betalen, wat leidde tot een voor ons onbegrijpelijk vergrijp: strontdiefstal. Er stond zelfs gevangenisstraf op, maar dat weerhield de wanhopige boeren er niet van hun stinkende misdaad te plegen.

    Hoe konden deze samenlevingen zo’n andere visie op menselijke excrementen ontwikkelen? Het antwoord zit letterlijk in de grond verscholen. Anders dan Europese landen, met hun rijkdom aan bossen en groene weiden, was Japan niet ruim gezegend met een vruchtbare bodem. De arme zandgronden leenden zich van nature niet voor uitbundige teelt van gewassen. Wilde een stuk land voedsel opleveren, dan moesten boeren zich uit de naad werken om het te voeden, waarbij ze elk stukje biomassa goed konden gebruiken. ‘Een nieuw veld levert een magere oogst,’ luidt een oud Japans gezegde.

    Mensenmest was een handzame en natuurlijke hulpbron die nooit opraakte zolang er mensen waren. Dankzij de mest uit eigen achterwerk wisten de Japanners akkers tot bloei te brengen op hun ongastvrije rotsland. Ook de Chinese boeren lukte het om hun grond generaties lang vruchtbaar te houden, wat voor Europese boeren niets minder dan een wonder was. Europese en Amerikaanse akkers verwoeien vroeg of laat tot stof.

    Dit verschijnsel was zo interessant dat in 1909 de Amerikaanse landbouwwetenschapper Franklin Hiram King naar Azië reisde om de geheimen van de zogeheten ‘permanente landbouw’ te leren kennen. Eenmaal terug schreef hij het boek Farmers of Forty Centuries (1911), waarin hij een paar ideeën voor bemesting opperde; maar het ‘nachtaarde’-verhaal was waarschijnlijk te schokkend om op Amerikaanse bodem te kunnen ontkiemen. Het duurde meer dan een eeuw voordat dit alsnog gebeurde, in het nu veelbesproken concept van circulaire landbouw en het feit dat onze mensenmest de diepe metabolische kloof die we hebben gecreëerd kan herstellen, of beter gezegd: opvullen.

    42510 3x2
    18495800 401
    SOIL vidanj wisner djimi job 5 1600x900 q85 crop subsampling 2
    SOIL Prof Tony ARprop2 container vidanj team copy compressor
    ph 17164 169725 2
    © OurSoil.org

    Praktische problemen

    Onder milieuactivisten wint het idee om mensenmest terug in de bodem te stoppen zeker terrein. Toch stuit een en ander op praktische problemen. Zouden stadsbewoners hun porseleinen plee willen ruilen voor po’s die ze met hun vuilnisbakken aan de straat moeten zetten voor de dagelijkse inzameling? Zullen we het beleven dat afvalwaterzuiveringsinstallaties de stadsriolering in schepen pompen die dan naar landbouwgronden varen? Elke geografische plek vergt een eigen oplossing. Waarschijnlijk zullen uiteenlopende slib-upcyclingmethoden nodig zijn om de herverdeling van voedingsstoffen die we hebben gecreëerd te verhelpen. Het is inspirerend genoeg dat er al het een en ander gebeurt – soms als kleinschalig experiment, maar soms ook al op industriële schaal.

    Loowatt, een start-up met vestigingen in Groot-Brittannië en Madagaskar, volgt het shimogoe-scenario bijna helemaal. Het stuurt een serviceploeg om afval op te halen uit verpauperde buurten in Antananarivo, de hoofdstad van Madagaskar. De ontlasting wordt in biologisch afbreekbare zakken onder toiletten bewaard. Na de inzameling wordt ze verwarmd om ziekteverwekkers te doden en vervolgens in biovergisters geladen, waarna de microbiële dierentuin zich er tegoed aan doet, precies zoals in de afgesloten putten van mijn opa gebeurde. Het resultaat is compost. Tijdens dit hele proces boeren de microben ook biogas op, voornamelijk methaan, dat door het team van Loowatt wordt verbrand om het slib op te warmen, in een soort perpetuum mobile. 

    Dan heb je twee vliegen in één klap: de steden schoon en de aarde gevoed

    Een andere start-up, SOIL Haiti, werkt op enigszins vergelijkbare wijze. Uitgeputte en geërodeerde landbouwgrond wordt hersteld met eigentijdse shimogoe. Daar waar waterschaarste heerst, kan handmatige inzameling van poep een efficiënte en goedkope sanitaire oplossing zijn. Dan heb je twee vliegen in één klap: de steden schoon en de aarde gevoed.

    Ook in de westerse wereld zijn er manieren om de metabolische kloof te dichten. Het Canadese bedrijf Lystek gebruikt gigantische blenders om slib tot een rioolsmoothie te kloppen. Die wordt dan in vrachtwagens naar het land gebracht en in de velden gespoten – een gemechaniseerde versie van mijn opa’s methode, die de bruine smurrie in de aarde goot. DC Water, een hypermodern zuiveringsbedrijf in Washington D.C., heeft de herbestemming van poep naar een hoger niveau getild. Zodra de metabolische output van de 2,2 miljoen inwoners van Washington en omliggende gebieden arriveert, wordt deze in enorme snelkookpannen geladen. Daar suddert hij op 149 graden en zes keer de atmosferische druk, wat al het leven doodt. De resulterende stoofpot wordt aan hongerige microben gevoerd in enorme betonnen biovergistingstanks. Daarbij komt methaan vrij – nuttig voor elektriciteitsopwekking – en een zwarte, vloeibare smurrie. In verbluffende analogie met de verwerking van de nachtaarde door de fenfu wordt de smurrie gedroogd, verpakt in zakken en in lokale winkels verkocht onder de merknaam Bloom. Let wel: deze mest uit de darmen van miljoenen bewoners van Washington oogt, voelt en ruikt precies zo als de tuinaarde waarin ik samen met mijn grootvader tomaten plantte.

    Individuele biovergisters kunnen een zegen zijn voor gezinnen die niet op het elektriciteitsnet zijn aangesloten of in landen wonen met hoge energiekosten. Deze kleine vergisters, vervaardigd door het Israëlische bedrijf HomeBiogas, zijn gemaakt van stevig, duurzaam plastic en kunnen elk type organisch afval omzetten in biogas en vloeibare mest. Een andere oplossing, ontwikkeld door het in San Francisco gevestigde bedrijf Epic Cleantec, werkt voor woon- en kantoorgebouwen. Zogeheten ‘plug-inunits’ reinigen en recyclen het afvalwater van de gebouwen. In plaats van het naar het riool te laten stromen, wordt het hergebruikt om kleding te wassen, planten te bewateren en toiletten door te spoelen. De overgebleven stinkende smurrie wordt omgezet in mest.

    Waarom hebben we met al onze slimme technologie de metabolische kloof nog niet gedicht? Het probleem is dat we nog een enorme kloof in de uitwerpselenideologie moeten overbruggen – niet het metabolische, maar het mentale aspect komt daarbij om de hoek kijken. In tegenstelling tot mensen in archaïscher samenlevingen beschouwen we onze uitwerpselen nog steeds als een ultiem afvalproduct dat moet worden aangepakt. We zien het nog altijd niet als een bijzonder waardevol en veelzijdig bezit. We wijden onze krachten – en besteden ons geld – aan de verwijdering van gevaarlijk vuil, in plaats van aan het realiseren en gebruiken van een fantastisch product uit onze stofwisseling. En dat is de verandering in ons denken die we als eenentwintigste-eeuwse samenleving moeten maken om het probleem volledig op te lossen. 

    soil Haiti

    Sinds 2006 zet het Haïtiaanse bedrijf SOIL afval om in grondstoffen.

    Door het gebruik van ecologische sanitaire voorzieningen werkt SOIL aan een revolutionair sociaal bedrijfsmodel om toegang te verschaffen tot veilige, sanitaire voorzieningen die rijke, organische compost produceren als natuurlijke hulpbron voor de sterk verarmde gronden van Haïti, terwijl ze ook economische kansen creëren in een van de meest onderbedeelde gemeenschappen. 6500 mensen hebben toegang tot toiletten dankzij SOIL’s groeiende dienst voor stedelijke sanitaire voorzieningen. 510 ton afval werd vorig jaar omgezet in compost van landbouwkwaliteit, wat de groei van planten en de weerbaarheid tegen de klimaatverandering bevordert.

    Laatste barrière

    We moeten onszelf verlossen van het stigma dat op onze eigen donkere materie rust. We moeten het zien als een natuurlijke, volledig hernieuwbare en duurzame hulpbron, en onszelf gelukkig prijzen dat wijzelf daar de krachtige producenten van zijn – precies zoals de zuinigere samenlevingen vóór ons deden. We moeten ons realiseren dat je met poep goede zaken kunt doen en dat er met die shit goed geld te verdienen valt.

    Laten we ons realiseren dat er met die shit goed geld te verdienen valt

    Het ligt als het ware voor het grijpen – het is onverstandig om dan alleen je neus dicht te knijpen en afkeurend de andere kant op te kijken. Feces zijn de laatste barrière tussen ons en kringlooplandbouw, duurzame economie en een goede aanvulling van voedingsstoffen. Pas als ondernemers gaan steggelen over wie dit oudste bruto binnenlands product in handen krijgt, weten we zeker dat we onze metabolische kloof hebben gedicht.

  • De verborgen kracht van schimmels

    De verborgen kracht van schimmels

    Wat onder de grond allemaal gebeurt in het mycelium, het netwerk van schimmeldraden, is adembenemend. ‘Het is alsof je een kat informatie laat overbrengen aan een neushoorn, waardoor het gedrag van die laatste verandert – via een wortel’, schrijft Tim Hayward.

    Het grootste levende organisme op onze planeet is geen dier of plant. Het leeft in of, om precies te zijn, onder een bos in Oregon, uitgespreid over 9 vierkante kilometer. In het donker gloeit het griezelig op en wetenschappers denken dat het zo’n 2500 jaar oud is. [Onlangs is een zeegrasplant ontdekt van 200 vierkante kilometer voor de kust van Australië. Deze Posidonia australis staat sindsdien te boek als het grootste levende organisme op onze planeet en is naar schatting minstens 4500 jaar oud is.]

    Dit is geen elevator pitch voor een scifi-kaskraker in Hollywood, al moet ik toegeven dat ik daar het afgelopen jaar vaak aan heb gedacht. Nee, het is gewoon een van de minder bizarre feiten die opkwamen toen mijn vriend en producer Richard Ward research deed voor een BBC4 documentaire over de vreemde wereld van schimmels.

    Schimmels zijn op dit moment hot in de wetenschappelijke wereld

    Schimmels zijn op dit moment hot in de wetenschappelijke wereld. Een enorm, nog niet verkend gebied waarbij vergeleken de ruimtewedloop een schoolproject lijkt. En bovendien roepen schimmels ook vragen op over onze kijk op onszelf, op soorten, sekse en gemeenschappen. Niet alleen de hallucinogene eigenschappen van paddestoelen zetten de deuren van ons bewustzijn open, zo’n beetje alles aan deze organismen doet dat.

    Mijn avontuur begon in de keuken. Net als iedereen probeer ik minder vlees te eten. Daardoor raak ik steeds meer gegrepen door de vele mogelijkheden van paddestoelen. In het Verenigd Koninkrijk weten we wel dat ze veel te bieden kunnen hebben, maar ervan overtuigd zijn we niet. Sommige Noord- en Oost-Europese landen zijn ‘mycofiel’: duizenden amateur-paddestoelenzoekers trekken er in de weekenden de bossen in en voeren hun buit zonder zorgen aan hun gezin. Hier kopen we alleen de simpelste, in plastic verpakte veldpaddestoelen bij de supermarkt en zijn de meeste mensen als de dood om iets anders te proberen. De afgelopen jaren hebben we ons repertoire een beetje uitgebreid, met Italiaanse porcini en een of twee van de mildere Aziatische zwammen, de shiitake en de oesterzwam, maar als de Fransen iets hardnekkig een trompette de la mort blijven noemen, kun je dat toch niet bepaald een aanbeveling noemen?

    Het is gemakkelijk te begrijpen waar de bangelijke Britse mycofobie kan zijn ontstaan. Wij associëren schimmels met dood en bederf. Een kleine minderheid van alle paddestoelen is bijzonder lekker om te eten, de meeste smaken saai of gewoon vies en een klein aantal kan tot een pijnlijke dood leiden.

    rebeca g sendroiu RFZCFcOHZRM unsplash
    Wetenschappers en activisten zijn bang dat we niet inzien hoeveel schade we de schimmelwereld toebrengen. Allereerst moeten we de taal veranderen als we over de natuurwereld nadenken, en dienen we te spreken over de drie F’en: flora, fauna en ‘funga’. – © Unsplash

    Onfrisse sporttas

    Wat eetbare paddestoelen betreft is de truffel voor ons waarschijnlijk de uiterste grens. Hij ziet eruit als een leerachtige steen of misschien een bijzonder samenhangend kluitje aarde en we slagen er nog steeds niet in om hem zelf te kweken. Vraag willekeurige, normale mensen de geur ervan te beschrijven, en ze zullen zeggen dat die doet denken aan een onfrisse sporttas en hun neus optrekken bij het idee dat ze zoiets in hun mond zouden stoppen. Toch behoren truffels tot de kostbaarste voedingswaren, per gewicht, waarin wordt gehandeld – een handel waar vaak smokkelpraktijken, geweld, georganiseerde misdaad en zelfs moord aan te pas komen. In zijn onlangs verschenen boek The Truffle Underground: A Tale of Mystery, Mayhem and Manipulation in the Shadowy Market of the World’s Most Expensive Fungus legt de Amerikaanse journalist Ryan Jacobs een complex web van bedrog bloot waarin truffels uit Oost-Europa – die van mindere kwaliteit worden geacht dan de Franse of Italiaanse variëteiten – op grote schaal worden gesmokkeld en van een nieuw label voorzien om voor het dure spul te kunnen doorgaan. Er zou sprake zijn van een gewelddadige werkwijze, met gewapende overvallen op truffelopslagplaatsen en corruptie op hoog niveau bij lokale overheden.

    In de jaren dertig ontstond grote opwinding over hallucinogenen die inheemse volkeren al sinds de prehistorie gebruikten. ‘Magische’ zwammen – met psilocybine en lsd – oorspronkelijk afkomstig uit moederkoren, een schimmel die op rogge groeit, beloofden volgens sommigen veel voor het ontluikende vakgebied van de psychotherapie. In opnamen van wetenschappers die met deze drugs experimenteerden, is het totale gebrek aan angst in hun stem opmerkelijk. Ze lijken geen enkel besef te hebben dat ze met iets gevaarlijks of onwettigs bezig zijn. Het is vreemd om een in tweed geklede psychiater rustig te horen vertellen hoe hij het ‘brouwsel’ drinkt en hoe zijn eigen Deuren van Bewustzijn opengaan. Het boeiendst vond ik nog wel de opnamen waarin filmster Cary Grant, die al vroeg en vol overgave de psychotherapie omarmde, zonder enig schuldbesef over zijn werkelijk heroïsche consumptie van hallucinogenen vertelt.

    Psilocybine wordt nu getest als therapie voor drugsverslaving, angst en stemmingsstoornissen

    Wat er vervolgens gebeurde, is vaak beschreven. Hoe de drugs in universiteitslabs werden getest, aanvankelijk door medici maar later onder de vleugels van de CIA, die begrijpelijkerwijze geïnteresseerd was in het mogelijke nut ervan als verhoorinstrument of als wapen. Hoe de drugs vervolgens in de tegencultuur terechtkwamen en een hele generatie opnieuw beïnvloedden, en hoe overheden de veelomvattende strijd tegen verboden middelen aanbonden. Deze processen speelden wereldwijd en het wetenschappelijk onderzoek kwam dan ook tot stilstand onder druk van de mondiale stortvloed van media-aandacht die uitmondde in een rampzalige ‘war on drugs’. Pas in het afgelopen decennium lijkt de paniek te zijn afgenomen. Psilocybine wordt nu getest als therapie voor drugsverslaving, angst en stemmingsstoornissen.

    Paddestoelen

    Misschien komt het door hun literaire, visuele of artistieke verleden – feeën die eromheen dansen, of Alice die door een waterpijp rokende rups wordt aangemoedigd er een te eten – dat we de neiging hebben bij schimmels te denken aan paddestoelen die door een laag dode bladeren hun kopje opsteken. Maar die paddestoelen zijn enkel de vruchtdragende delen van het organisme dat eronder leeft: een uitgestrekt web van onderling verbonden hyfen, of schimmeldraden, dat mycelium wordt genoemd. En het ongelooflijkste van mycelium is niet zozeer de afmeting van dat netwerk, maar waartoe het in staat is.

    Een jaar of tien geleden ontmoette ik op een beurs een stel jonge mensen. Zij hielden bij hun stand een overtuigend pleidooi voor het kweken van mycelium rondom breekbare verpakte artikelen, als een soort natuurlijk piepschuim. Ik heb geen idee of hun bedrijf een succes is geworden, maar een paar jaar later vertelde de chef-kok van een hip Londens restaurant me trots dat het krukje waarop ik zat een massief blok mycelium was dat in een mal was gekweekt. En vorig jaar troonde mijn dochter me mee naar een lezing over de toekomst van duurzame architectuur, waar vrolijk werd gediscussieerd over wolkenkrabbers die hoger en sterker zouden zijn dan de saaie gebouwen van nu en niet ‘gebouwd’ zouden worden van gewapend beton, maar ‘gekweekt’ van mycelium.

    Als ik eerlijk ben kreeg ik het idee dat het spul me achtervolgde.

    Quorn

    In de jaren zestig identificeerde Rank Hovis McDougall Fusarium venenatum als een schimmelmycelium dat geschikt is voor menselijke consumptie. Dit is verbijsterend spul. Je vult een tank met een voedzaam groeimedium, voegt daar sporen aan toe, voedt het rijkelijk met zuurstof en het netwerk van dicht opeengepakte hyfen verdubbelt om de vijf uur in grootte. Hou je van quorn, de bekende eetbare mycoproteïne, dan is dit geweldig nieuws. Hou je van sciencefictionfilms uit de jaren vijftig, dan heb je misschien je bedenkingen.

    Quorn is een vrij eenvoudig schimmelmateriaal dat voor samenhang zorgt en voor eiwit dat als voedingssupplement kan dienen. Het is oorspronkelijk niet ontworpen om vlees na te maken, maar nu de commerciële belangstelling voor vleesvervangers steeds koortsachtiger vormen aanneemt, kijken veel onderzoekers naar schimmels. De kans is groot dat die een steeds grotere rol krijgen in bewerkt en industrieel gefabriceerd voedsel en er is eigenlijk geen bovengrens aan de bijdrage ze uiteindelijk aan ons dieet zouden kunnen leveren.

    Het lijkt erop dat het gebruik van mycelium zo hard groeit als, tja, mycelium zelf. Op een ijzige donderdag in oktober ontmoet ik Sebastian Schornack bij de Sainsbury Laboratory Cambridge University. Diep onder de grond, in een streng beveiligde biocontainment facility, heeft hij de wortels van een plantje onder de microscoop gelegd dat op hetzelfde substraat als een mycelium is gegroeid. In een gecontroleerde onderzoeksomgeving als deze is het toegestaan planten te maken door middel van genetische manipulatie en Schornack heeft tabaksplantjes gekweekt waarin de drie genen zitten die samen voor de rode kleur van bieten zorgen. Deze genen zijn zo gearrangeerd dat ze in de tabakswortels een roze kleur veroorzaken wanneer ze met het mycelium in contact komen. Zelfs met een vrij bescheiden vergroting kon ik het roze materiaal duidelijk in de cellen van de plantenwortel zien zitten en in het mycelium dat daarmee in contact was. Schornack is aanstekelijk enthousiast: ‘Dit is de intiemste relatie die je je maar kunt voorstellen. De schimmel leeft echt binnen in elke plantencel.’

    Schimmels zijn al vanaf het allereerste begin ‘onderdeel’ van planten

    Maar daar houdt het voor hem niet op: ‘Deze relatie is meer dan 400 miljoen jaar oud. Er zitten al structuren zoals deze schimmels in de cellen van gefossiliseerde planten.’

    Het moeilijkst voorstelbaar hiervan is nog wel dat schimmels al vanaf het allereerste begin ‘onderdeel’ van planten zijn. Net zoals wij mensen begrijpen dat we gastheer zijn van ons eigen levende darm-ecosysteem en dat altijd zijn geweest, beseffen we nu dat planten en schimmels een vergelijkbare ‘relatie’ hebben. Maar dat woord dekt de lading niet helemaal, het is een onafscheidelijk samenleven. En als planten altijd ‘deels schimmel’ zijn geweest, en als wijzelf altijd ‘deels’ de mix van schimmel en bacteriën ‘in onze ‘darmflora’ zijn geweest, dan ga je toch vraagtekens plaatsen bij de overzichtelijke indeling van afzonderlijke organismen.

    jesse bauer uhkH4kdA1MA unsplash
    Paddestoelen zijn slechts de vruchtdragende delen van het organisme dat eronder leeft. – © Unsplash

    Communiceren

    Maar het wordt nog ingewikkelder. Suzanne Simard is hoogleraar bosecologie aan de Universiteit van British Columbia. Zij injecteerde voor haar onderzoek radioactieve koolstof in een berkenboom en na een tijdje sloeg haar geigerteller aan bij een douglasspar die daar in de buurt stond. Materiaal uit de ene plant verscheen in een andere, geheel ander soort plant. Niet alleen werd materiaal overgedragen, maar door het selectief toedienen van voedingsstoffen kon de schimmel de groei van de bomen beïnvloeden. Via het mycelium konden signalen van ‘ongemak’ in een boom beïnvloeden hoe andere bomen groeiden. Ze bleken te communiceren via een derde organisme dat niet eens tot hetzelfde rijk behoorde. Hier moeten we even tot ons door laten dringen wat dat betekent. Het is alsof je een kat informatie laat overbrengen aan een neushoorn, waardoor het gedrag van die laatste verandert – via een wortel.

    De schimmel kan een heel bos in staat stellen om in zijn eigen belang te ‘handelen’

    Voor de duidelijkheid: dit is niet hetzelfde als bomen die ‘met elkaar praten’, maar het betekent wel dat de schimmel, door op te treden als informatie overbrengend medium, kennelijk een heel bos in staat kan stellen om in zijn eigen belang te ‘handelen’, bijna als één organisme. Dit resultaat is door Simard en anderen het ‘Wood Wide Web’ genoemd. 

    Dat mycelium communicatie tussen verschillende soorten bomen mogelijk maakt en onderhoudt, en misschien op de een of andere manier hun groei verandert in het belang van hun collectieve welzijn, dat blaast mij van mijn conceptuele sokken, om eerlijk te zijn. Boom, schimmel, bos? Wie is hier de baas? Wat is de entiteit?

    Onder Kew Gardens, de Londense hortus botanicus, bevindt zich ver van het grote publiek de grootste verzameling geconserveerde schimmelsoorten ter wereld. Hier vertelde conservator Lee Davies me het macabere verhaal van de zombiecicaden. Deze reusachtige vliegende insecten lijken een beetje op sprinkhanen en komen overal in het midden en oosten van de VS voor. Ze hebben een heel kort en intensief paarseizoen en daarin raakt een klein percentage geïnfecteerd met een schimmel die Massospora heet. Deze produceert in hun lijf een reeks chemische stoffen, waaronder psilocybine en een amfetamine die cathinon wordt genoemd, en deze cocktail wakkert in de cicade een koortsachtige seksuele activiteit aan. En dat is nogal ongelukkig, want de schimmel neemt ook het hele lijf van het beestje in beslag en zorgt ervoor dat het achterlijf, inclusief geslachtsdelen, eraf valt, waarna dat wordt vervangen door een grote witte bal sporen. Op de een of andere manier dwingt de schimmel de cicade bovendien om zowel mannelijk als vrouwelijk paargedrag te vertonen en daarmee nog meer cicaden te lokken voor een potje vruchteloos gefriemel, zodat ook die met de sporen besmet worden. 

    Mycena inclinata Clustered Bonnet UK 2
    De fraaisteelmycena (Mycena inclinata) groeit in bundels op hout van dode stronken. – © Wikipedia

    Seksleven

    Wat mij betreft is dit de meest intrigerende vorm van voortplanting die ik ooit ben tegengekomen. En zo raak ik opeens met bioloog en schrijver Merlin Sheldrake verwikkeld in een serieus gesprek over het seksleven van schimmels. ‘Er zijn zoveel verschillende manieren waarop schimmels seks kunnen hebben,’ vertelt hij. ‘Sommige hebben tienduizenden paartypes die in grote lijnen overeenkomen met onze geslachten. Kennelijk zijn er talloze verschillende manieren om je genen door elkaar te gooien en als flexibele, samenwerkende en diverse organismes hebben zij flexibele, samenwerkende en diverse manieren gevonden om dat te doen.’

    Er zijn veel verschillende manieren waarop schimmels seks kunnen hebben

    Ik kan met mijn tienerdochter al geen gesprek over gender voeren zonder dat mijn hersens vastlopen, dus hoe zou ik ooit alles van schimmelseks kunnen begrijpen? Zelfs met ons huidige, uiterst beperkte niveau van kennis dwingen schimmels ons om gecompliceerde vragen te stellen. Als een schimmel een levend organisme geheel kan innemen, het gedrag ervan kan beheersen en het lichaam gebruiken, hebben we een nieuw woord nodig voor het ding dat dan rondvliegt. Op welk moment is het niet langer een in bezit genomen insect en wordt het een mobiele paddestoel? Mijn zorg neemt nog verder toe als Sheldrake me er vriendelijk aan herinnert dat ik zelf vol zit en bedekt ben met allerlei verschillende soorten schimmels. Ik kan niet leven zonder hen en zij kunnen niet overleven zonder mij. Dus ben ik nou een entiteit of een goedgekleed mobiel ecosysteem?

    Pratende paddestoelen

    Paddestoelen wekken misschien de indruk zwijgende organismen te zijn, maar een nieuwe studie heeft patronen van elektrische signalen ontdekt die een opvallende, structurele gelijkenis vertonen met de menselijke spraak.

    Andrew Adamatzky van het Unconventional Computing Laboratory van de Universiteit van West-Engeland in Bristol onderzoekt dit fenomeen door minuscule micro-elektroden te bevestigen in bodemlagen die ingelijfd zijn in hun lapjesdeken van hyfen (schimmeldraden), het mycelium.

    Het onderzoek, dat gepubliceerd is in Royal Society Open Science, toonde aan dat die pieken zich vaak groepeerden in een serie activiteiten die leken op vocabulaires van wel zo’n vijftig woorden, en dat de verspreiding van die ‘woordlengten van paddestoelen’ nauw overeenkwam met die van menselijke talen. Waaiertjes – die op rottend hout groeien en wier vruchtlichamen lijken op golven van dicht opeengepakt koraal – produceerden de meest complexe ‘zinnen’.

    Andere vormen van pulserend gedrag zijn al eerder waargenomen in zwammennetwerken, zoals pulserend voedingstransport – mogelijk veroorzaakt door ritmische groei als zwammen op zoek zijn naar voedsel.

    De meest waarschijnlijke reden voor die golven van elektrische activiteit is dat ze de paddestoelen in stand houden – vergelijkbaar met wolven die janken om de roedel bij elkaar te houden – of hun pas ontdekte bronnen van lok- en afweermiddelen aan andere delen van hun mycelium overbrengen, zei Adamatzky. Maar er is volgens hem ook een andere mogelijkheid: dat ze niets zeggen. ‘Hoe interessant ook, de interpretatie dat het een taal is lijkt misschien iets al te enthousiast,’ zegt Dan Bebber, universitair docent biowetenschappen aan de Universiteit van Exeter en lid van het onderzoekscomité naar zwammenbiologie van de British Mycological Society. ‘Er moeten veel meer kritische hypothesen worden getest voor we de optie “Fungus” op Google Translate kunnen verwachten.’

    Korstmossen horen tot de oudste levende dingen op onze planeet. Volgens sommige schattingen bedekken ze in al hun verschillende vormen 7 procent van het aardoppervlak, maar het zijn geen planten. Ze doen wel aan fotosynthese, maar hebben geen wortels en onttrekken geen voedingsstoffen aan de oppervlaktes waarop ze groeien. Kortmossen zijn eigenlijk algen die geheel in het weefsel van een schimmelmycelium leven. Het zou totaal onjuist zijn om ze ‘hybride’ te noemen en het is een meer dan symbiotische relatie. Ze zijn niet van elkaar te scheiden en zo leven ze al langer dan mensen of de meeste dieren en planten die we vandaag kennen. Voor zoiets hebben we nog steeds niet echt een naam.

    Mycologen zijn een interessant stel. Hun enthousiasme heeft ervoor gezorgd dat ze zich zijn blijven richten op wat lang een verwaarloosd hoekje van de botanie is geweest. Ze hebben dingen gezien die wij stervelingen niet zouden geloven, en nu er tipjes van de sluier worden opgelicht is hun opwinding terecht groot. Ik heb onderzoekers ontmoet die dachten dat ze met hun ontdekkingen vrijwel alles wat voor mensen van belang is konden veranderen en verbeteren. Afgezien van de simpele toepassingen voor voedsel en het farmacologische potentieel zijn er schimmelvariëteiten die extreme omstandigheden kunnen overleven, plantengroei kunnen versterken of met plantenziektes afrekenen. Sommige soorten waarnaar op dit moment onderzoek wordt gedaan, zullen ooit plastic afbreken, gelekte olie opruimen en misschien zelfs radioactief afval neutraliseren.

    Als het om schimmels gaat beginnen we pas net in te zien hoeveel we niet weten

    Maar andere wetenschappers en activisten zijn bang dat we niet inzien hoeveel schade we de schimmelwereld toebrengen. De Fungi Foundation, een internationale ngo die is opgericht door de briljante Chileense mycoloog Giuliana Furci, wijst op dit gevaar. De stichting heeft tot doel onderwijs en informatie te verschaffen over de diversiteit van schimmels en het gebruik ervan als innovatieve oplossingen voor problemen die we misschien nog moeten ontdekken. Heel belangrijk is dat de Fungi Foundation de officiële taal aan het veranderen is en de internationale gemeenschap aanspoort om over de natuurwereld na te denken in termen van de drie F’en: flora, fauna en ‘funga’.

    Funga-onderzoekers vormen de meest diverse en briljante groep die je je maar kunt voorstellen, maar één ding weten ze allemaal zeker: er is nog zoveel dat we niet weten en zoveel dat nog te ontdekken valt. Als het om schimmels gaat beginnen we pas net in te zien hoeveel we niet weten. Vroeg of laat ervaart iedereen die zich met schimmelonderzoek bezighoudt een en dezelfde vreemde reactie, die het midden houdt tussen fysiek en emotioneel. Sheldrake noemt het ‘hoogtevrees’ en ik denk dat hij daarmee de spijker op de kop slaat.

    Hoger dan gebouwen

    Ik wandelde een keer door de paar heuvels in de buurt van Cambridge. Ik ging op een bank zitten en keek naar het landschap om me heen, en opeens werd ik me duizelingwekkend bewust van alles. Ik zat onder bomen, dus het bevond zich onder me. Kilometers ver zag ik bossen, kreupelhout, alleenstaande bomen. Daaronder, misschien ertussenin, ongeziene maar uitgestrekte massa’s mycelium. Als ze boven de grond zouden zijn, zouden ze groter zijn dan dinosauriërs, hoger dan gebouwen. Levende organismen van bijna onvoorstelbare afmetingen. Oud, langzaam groeiend, zich langzaam verplaatsend, in wisselwerking met de omgeving. Wanneer je je realiseert dat er schimmels in de lucht zijn, op het oppervlak van of binnen in vrijwel alles wat leeft, bekruipt je een gevoel dat lijkt op, ja, het tollende, gedesoriënteerde gevoel dat je opeens niet meer zo stevig met de grond onder je verbonden bent. Het is inderdaad hoogtevrees.

    We hoefden niet meer bang te zijn dat onze natuurlijke omgeving ons zou vermoorden

    Een tijdje na de Verlichting begonnen we anders naar de natuur te kijken. We hoefden niet meer bang te zijn dat onze natuurlijke omgeving ons zou vermoorden en we gingen eropuit, naar de bergen, naar de bossen, naar de zee, om omringd te zijn door iets enorms, iets oneindig veel groters en ouders dan wijzelf, om onszelf in perspectief te plaatsen. Tegenwoordig is het misschien nog steeds best indrukwekkend om een berg te zien, een ruwe zee of een stuk woestijn, maar film, fotografie en zelfs goedkope avontuurlijke vakanties hebben ons van die plotselinge, verbijsterende waarneming beroofd.

    Er bestaat een schilderij van de Duitse romanticus Caspar David Friedrich, genaamd De wandelaar boven de nevelen. Je hebt het vast weleens gezien. Die wandelaar is een man in overjas, van achteren gezien, die op het topje van een berg staat en uitkijkt over een landschap van bijna onbevattelijke uitgestrektheid. Je ziet zijn gezicht niet, maar trek er dit weekend eens op uit, ga op een heuvel staan, kijk naar de bomen, denk dan aan de schimmels en je voelt wat hij voelt.

    Fungi: The New Frontier, geschreven en gepresenteerd door Tim Hayward en geproduceerd door Richard Ward en Loftus Media voor BBC Radio 4. Ook beschikbaar op BBC Sounds.

  • Wereldnieuws: Pubs in Ierland worstelen met personeelstekorten & Meer

    Wereldnieuws: Pubs in Ierland worstelen met personeelstekorten & Meer

    Pubs in Ierland worstelen met personeelstekorten

    In Ierland zien veel pubs zich genoodzaakt om twee dagen per week te sluiten als gevolg van personeels-tekorten, meldt RTÉ. Die tekorten zijn vanwege de pandemie nog groter geworden dan ze al waren. Dat heeft een delegatie van Ierse publicans, caféhouders, laten weten aan een speciale commissie van de Oireachtas, het Ierse parlement.

    Volgens Donall O’Keeffe, voorzitter van de Licensed Vintners Association, de organisatie van publicans in Dublin, hebben twee jaar van sluitingen en beperkingen een verwoestend effect gehad op het behoud van personeel in de sector. Hij schat dat ongeveer een derde van het personeel de sector heeft verlaten. Er waren volgens hem al tekorten aan geschoold personeel voordat corona uitbrak, en het vertrek van chef-koks, managers en hoger barpersoneel tijdens de pandemie heeft die situatie verergerd. Sinds de pubs weer open mogen is de beschikbaarheid van personeel de grootste remmende factor voor een volledig herstel, aldus O’Keeffe.

    leonhard niederwimmer unsplash
    © Unsplash


    Niet echt een verbetering

    De regering van New South Wales in Australië introduceerde eind 2019 de DDL (digital driver’s licence), oftewel het digitale rijbewijs. Mensen kunnen sindsdien hun iPhone of Android-telefoon gebruiken om hun identiteits- en leeftijdsbewijs te tonen bij politiecontroles langs de weg of in cafés, aldus Ars Technica. De overheid beloofde dat het digitale rijbewijs een ‘hoger niveau van veiligheid en bescherming tegen identiteitsfraude zou bieden dan het plastic rijbewijs’ dat decennialang werd gebruikt.

    Maar onderzoek wijst nu uit dat het een eitje is om identiteitsbewijzen te vervalsen met behulp van de DDL. Mensen die wettelijk geen alcohol mogen drinken, kunnen simpelweg hun geboortedatum veranderen en fraudeurs kunnen valse identiteiten aanmaken. Dat proces neemt nog geen uur in beslag, vereist geen speciale hard- of software en levert valse id-bewijzen op die moeiteloos de controle doorstaan van het elektronische verificatiesysteem dat door de politie en deelnemende cafés wordt gebruikt.


    Sky Bridge 721

    Niet ver van de Poolse grens en het skigebied Dolní Morava beschikt Tsjechië sinds kort over de langste voetgangersbrug ter wereld, meldt Colossal. De ‘Sky Bridge 721’ is zo smal (1,20 meter) dat er geen tegenliggers kunnen passeren en voetgangers maar in één richting over de brug kunnen lopen. Omkeren kan dus niet. 721 slaat op het aantal meters dat de hangbrug lang is. De brug verbindt twee bergkammen op meer dan 1100 meter boven de zeespiegel met elkaar en zou met zijn 8 centimeter dikke stalen kabels vijfhonderd mensen tegelijkertijd moeten kunnen dragen. De bouw van de toeristische attractie kostte ruim 8 miljoen euro. Er staat ook nog een uitkijktoren naast, die uitzicht biedt op de vallei van de Morava en het Králicky Snezník-gebergte.

    sky 1 640x426@2x
    © via designboom

    Sokken verdringen T-shirts

    De belangrijkste kledingstukken die Amerikanen kochten tijdens de pandemie waren… sokken. Volgens marktonderzoekbureau NPD Group zijn sokken sinds twee jaar de belangrijkste kledingaankoop en hebben ze de aankoop van T-shirts verdrongen, aldus Quartz. Een op de vijf kledingitems die in 2020 en 2021 in de VS werden gekocht, was een paar sokken. Sokken om mee te slapen vertegenwoordigen slechts 3 procent van de sokkenmarkt, maar de verkoop van slaapsokken groeide wel vier keer zo snel als die van sokken in het algemeen. Volgens de marketeers kwam dat doordat mensen tijdens de pandemie meer tijd doorbrachten in bed. Een verklaring voor de verkoopgroei ligt mogelijk ook in de explosieve groei van e-commerce: sokken zijn relatief goedkoop en worden gemakkelijk aan een bestelling toegevoegd als een klant nog maar een paar dollar verwijderd is van gratis verzending, aldus NPD.

    tai s captures kBGVM2mVgcI unsplash
    © Unsplash


    Opwarming van de aarde veroorzaakt slaaptekort

    Door stijgende temperaturen als gevolg van klimaatverandering wordt de nachtrust van mensen wereldwijd korter, zo blijkt uit de grootste studie naar dit onderwerp tot nu toe, dat aangehaald wordt door The Guardian. Door de opwarming van de aarde stijgen de nachttemperaturen sneller dan die overdag. Naarmate de aarde verder opwarmt zal slaapverlies verder toenemen, maar sommige mensen worden meer getroffen dan andere. Het slaapverlies per graad opwarming is bij vrouwen ongeveer een kwart hoger dan bij mannen, twee keer zo hoog bij 65-plussers en drie keer zo hoog bij mensen in minder welvarende landen. 

    Eerdere studies toonden al aan dat stijgende temperaturen schadelijk zijn voor de gezondheid

    Het onderzoek is gebaseerd op gegevens van 47.000 mensen in 68 landen, gedurende in totaal 7 miljoen nachten. Uit het onderzoek bleek dat de gemiddelde burger per jaar nu al 44 uur minder slaapt. Dat komt neer op elf nachten met minder dan zeven uur slaap. Eerdere studies toonden al aan dat stijgende temperaturen schadelijk zijn voor de gezondheid, onder meer door toename van het aantal hartaanvallen, zelfmoorden en psychische crises, door ongevallen en verwondingen, maar ook door een verminderd vermogen om te werken. De onderzoekers vinden het verontrustend dat hun gegevens niet aantonen dat mensen in staat zijn om zich aan te passen aan warmere nachten. 

    Volgens Kelton Minor van de Universiteit van Kopenhagen, die het onderzoek leidde, ‘slapen wereldwijd steeds meer mensen onvoldoende.’ Hij voegde eraan toe dat het onderzoek het topje van de ijsberg kan zijn, ‘want zeer waarschijnlijk zijn onze schattingen aan de conservatieve kant’.


    Xi wil zwaargewicht als mediabaas

    De huidige Chinese onderminister van Buitenlandse Zaken Le Yucheng wordt volgens ingewijden het nieuwe hoofd van de Nationale Radio en Televisie Administratie (NRTA) van China, de organisatie die toezicht houdt op de staatstelevisie en -radio in China, aldus South China Morning Post. Zijn benoeming lijkt een gevolg van de eis van president Xi Jinping om de positie van China in de mediaoorlog met de VS en diens bondgenoten te versterken. Xi riep vorig jaar op tot een ‘sterk Chinees narratief’ en keerde zich tegen westerse media die ‘alle middelen aanwenden’ om China te belasteren en te demoniseren. Berichtgeving over mensenrechten in Xinjiang, het Chinese standpunt over de oorlog in Oekraïne en het politieke systeem van China leidden sindsdien meermaals tot boze reacties van Chinese diplomaten en in de propaganda van de staatsmedia.

    De laatste jaren legde Le al vaker openbare verklaringen af over de diplomatieke positie van China

    Le wordt als hoofd van de NRTA ook adjunct-directeur van de Centrale Propaganda-afdeling, die toezicht houdt op informatieverspreiding, media en film. De laatste jaren legde hij al vaker openbare verklaringen af over de diplomatieke positie van China. Na de ontmoeting van Xi Jinping met Vladimir Poetin op 4 februari in Beijing, bijvoorbeeld, was het Le die de staatsmedia informeerde over de gesprekken en die vertelde dat de banden tussen de twee landen ‘geen bovengrens’ hebben.

    Le begon zijn diplomatieke loopbaan in de jaren tachtig op een afdeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken die verantwoordelijk was voor de relatie met de Sovjet-Unie en het Oostblok. Hij werkte twee keer op de Chinese ambassade in Moskou en diende later als ambassadeur in Kazachstan en India. In 2018 werd hij onderminister van Buitenlandse Zaken, de op twee na hoogste amb-telijke functie van het ministerie. In een recent interview zei hij dat Washington moet accepteren dat ‘de Amerikaanse hegemonie’ afneemt, ook al zal het voor China ‘voorlopig moeilijk zijn’ om de VS in te halen.

    ANP 430214085
    De Chinese minister van Buitenlandse Zaken Le Yucheng tijdens een interview waarin hij zei dat Washington moet accepteren dat ‘de Amerikaanse hegemonie’ afneemt. © Mark Schiefelbein / AP

  • Internationale olifantencorridor Botswana in gevaar

    Internationale olifantencorridor Botswana in gevaar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Somalië: oud-president Hassan Sheikh Mohamud komt opnieuw aan de macht

    » Frankrijk: Boerkini staat opnieuw in middelpunt politieke ruzie

    Corridor NG13 open verklaard voor jacht op trofeeën

    De internationaal belangrijke olifantencorridor in Botswana is in gevaar, zo meldt Daily Maverick. Onlangs werd de corridor NG13 (NG staat voor Ngamiland) langs de rivier de Kwando open verklaard voor de jacht op trofeeën, waaronder de enorme slagtanden van olifanten. Volgens Audrey Delsink, directeur Wildlife van Humane Society Africa, kan de toestemming die Botswana heeft gegeven aan trofeejagers niet alleen verwoestende gevolgen hebben voor de olifanten die door de corridor trekken maar voor het hele ecosysteem. 

    ‘Trofeejagers jagen voornamelijk op de grootste en oudste stieren,’ zegt Delsink. ‘Dat is buitengewoon schadelijk voor de olifantenpopulatie, omdat die olifanten ecologische en sociale kennis verschaffen en zij cruciaal zijn voor het voortbestaan van de hele groep. Oudere stieren houden jongere stieren in bedwang, die anders verstorend gedrag zouden vertonen.’

    Een levende olifant is levend 53 keer meer waard dan als trofee

    Vorige maand werden twee van de grootste slagtandolifanten in de regio gedood, wat leidde tot verontwaardiging onder natuurbeschermers over de hele wereld. Een van de olifanten, met slagtanden van bijna vijftig kilo elk, werd gedood in opdracht van Derek Brink, een van de rijkste mannen van Botswana.

    Volgens de regering van Botswana zijn er meer dan genoeg olifanten in het gebied en profiteert de plaatselijke bevolking financieel van de jacht. Gedode olifanten worden op de zwarte markt beneden hun waarde verkocht. Een studie van Sheldrick Wildlife Trust berekende dat een levende olifant 53 keer meer waard is dan als trofee.

    Lees ook:

  • Californië start groot onderzoek naar ‘misleiding’ door plasticindustrie

    Californië start groot onderzoek naar ‘misleiding’ door plasticindustrie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Taiwanezen gaan massaal op cursus zelfverdediging uit angst voor oorlog

    » Science: klimaatopwarming heeft massa-extinctie oceaanleven tot gevolg

    Industrie wordt verantwoordelijk gehouden voor plasticcrisis

    Californië heeft het Amerikaanse olieconcern Exxon Mobile gedagvaard omdat het de consumenten decennialang zou hebben misleid over de recyclebaarheid van plastic. Dit is een eerste stap in een grootschalig onderzoek naar de fossiele brandstofindustrie en diens rol in de wereldwijde plasticcrisis, meldt Los Angeles Times.

    ’Meer dan een halve eeuw lang heeft de kunststoffenindustrie een agressieve campagne gevoerd om het publiek te misleiden en de mythe in stand te houden dat recycling de plasticcrisis zou kunnen oplossen. De waarheid is als volgt: de overgrote meerderheid van het plastic kan niet worden gerecycled’, verklaarde de Californische procureur-generaal Rob Bonta donderdag.

    Het onderzoek zal betrekking hebben op ’vroegere en huidige inspanningen van de petrochemische industrie’ om het publiek te misleiden en zal bepalen hoe ’deze acties mogelijk in strijd zijn met de wet’, aldus Bonta in een verklaring.

    Lees ook:

  • Investeer in de zwarte neushoorn en cash als het aantal stijgt

    Investeer in de zwarte neushoorn en cash als het aantal stijgt

    De Wereldbank geeft unieke Wild Life Conservation Bonds uit ter waarde van 150 miljoen dollar. Met die investeringen moeten doelstellingen van natuurbescherming worden behaald, zoals de toename van het aantal zwarte neushoorns – een ernstig bedreigde diersoort.

    Op de dag dat Zuid-Afrika zijn vierde investeringsconferentie hield in Sandton, kregen investeerders een ongebruikelijk aanbod: een Wildlife Conservation Bond (WCB), ook wel Rhino Bond genoemd. Deze ‘neushoornobligatie’ biedt investeerders rendement gebaseerd op de toename van het aantal zwarte neushoorns in Zuid-Afrika. Eind maart werd de waarde van de obligatie vastgesteld door de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD), een tak van de Wereldbank. 

    ‘De WCB is een uniek, resultaatgericht financieel instrument dat middels investeringen resultaat wil boeken op het gebied van natuurbehoud. In dit geval is de waarde afhankelijk van de groei van de populatie zwarte neushoorns’, aldus de Wereldbank.

    Van de opbrengst zal 152 miljoen Zuid-Afrikaanse Rand, circa 9,62 miljoen euro, worden gebruikt voor de bescherming en groei van de populatie zwarte neushoorns in het Zuid-Afrikaanse Addo Elephant National Park en de Great Fish River Nature Reserve. De neushoornpopulaties daar lopen terug door stropers, die aan de vraag naar hoorn in Azië proberen te voldoen. De rest van de opbrengst zal worden gebruikt voor de financiering van groene en sociale projecten in landen die zijn aangesloten bij de Wereldbank.

    Succes payment

    ‘Aan de hand van duidelijke doelstellingen voor natuurbeheer steunen beleggers de financiering van activiteiten om een ernstig bedreigde diersoort bescherming te bieden en in aantal te laten toenemen. Daarmee dragen zij rechtstreeks bij aan de biodiversiteit en aan het scheppen van banen in natuurbeheer op het achtergebleven platteland van Zuid-Afrika’, aldus de Wereldbank.

    In tegenstelling tot traditionele obligaties keert de WCB geen couponrente uit. ‘In plaats daarvan doet de uitgevende instantie investeringen in natuurbescherming om behoud van de neushoorns in de twee parken te financieren’, legt de Wereldbank uit. ‘Het resultaat zal worden gemeten aan de hand van de groei van de populatie, die onafhankelijk zal worden berekend door Conservation Alpha en geverifieerd door de Zoological Society of London. Als dit goed is, ontvangen beleggers op de vervaldag behalve de aflossing van de ingelegde hoofdsom ook een succes payment. Die betaalt de IBRD van een prestatieafhankelijke subsidie door de Global Environment Facility.’ Een success payment is de betaling die wordt gedaan als een bepaalde, in het contract vastgestelde doelstelling is gehaald.  

    Het aantrekkelijke voor beleggers is dat zij kunnen bijdragen aan natuurbescherming en er ook nog iets voor terugkrijgen

    De maximale ‘Conservation Success Payment’ bedraagt 13,76 miljoen dollar. Dat is de maximale betaling die beleggers na vijf jaar kunnen ontvangen bovenop de hoofdsom, op voorwaarde dat de streefcijfers voor de neushoornpopulatie worden gehaald. Het rendement komt daarmee neer op ongeveer 9 procent over vijf jaar. Dat is minder dan 2 procent per jaar, maar er volgt nog extra rendement omdat de obligatie bij uitgifte ‘onder pari’, ofwel onder de nominale waarde, wordt verkocht. De heraanbiedingsprijs bedraagt 94,84 procent van de hoofdsom.

    Het aantrekkelijke voor beleggers is dat zij kunnen bijdragen aan natuurbescherming en er ook nog iets voor terugkrijgen. Mogelijk vindt dat weerklank in dit tijdperk waarin ESG’s razend populair zijn; investeringen op basis van sociale, beleids- en milieucriteria. Het proces rond de emissie van de obligaties is in handen van Credit Suisse in samenwerking met Citibank. Beoogde investeerders zijn institutionele beleggers. 

    Er zijn nog ongeveer 5500 zwarte neushoorns in Afrika; enkele decennia geleden waren dat er nog tienduizenden. De zwarte neushoorn is kleiner en temperamentvoller dan zijn grotere neef, de witte neushoorn. 

    Als westerse stedelingen de Afrikaanse natuur willen beschermen, moeten ze dus betalen. 

    Een van de aantrekkelijke aspecten van de nieuwe obligatie is dat hij investeringen in de particuliere sector kan aantrekken. Het behoud van groot wild in Afrika kent veel voorvechter onder de middenklasse in welvarende, ontwikkelde economieën, kortom voor mensen die er ver vanaf staan. 

    Zuid-Afrika heeft de meest ongelijke economie ter wereld. Met een werkloosheidscijfer dat volgens de breedste definitie de vijftig procent nadert, moet de regering een balans zien te vinden tussen de financiering van natuurbehoud en dringende sociale behoeften. Als westerse stedelingen de Afrikaanse natuur willen beschermen, moeten ze dus betalen. 

    Wanbeleid

    Het valt nog te bezien hoe dit alles zal uitpakken, en of het de neushoorns en investeerders iets zal opleveren. Het feit dat een van de betrokken reservaten wordt beheerd door het wanordelijke provinciebestuur van de Oostkaap zal bij sommigen een alarm doen afgaan. Maar volgens de Wereldbank zijn de parken ‘geselecteerd op basis van hun ecologische, bestuurlijke en financiële kwaliteiten, waarmee resultaten kunnen worden geboekt op het gebied van neushoornbehoud‘. Tussen al het wanbestuur zullen zich ook enkele uitblinkers bevinden.

    Initiatieven zoals de Rhino Bond zijn natuurlijk welkom, maar volgens particuliere neushoornbezitters voert de Zuid-Afrikaanse regering tegelijkertijd een beleid dat de groei van de soort juist tegenwerkt. Een Zuid-Afrikaanse overheidscommissie heeft aanbevolen om het fokken van neushoorns in gevangenschap geleidelijk af te bouwen, ondanks het feit dat de particuliere sector goed werk heeft verricht voor het behoud van de dieren, althans wat de aantallen betreft. De meeste van de ruwweg 12.500 witte neushoorns in Zuid-Afrika zijn in particuliere handen

    En dan zijn er ook nog mensen die betogen dat het legaliseren van de wereldwijde handel in de hoorn van neushoorns veel meer geld zou opleveren voor het behoud van de soort, maar dat is op zijn zachtst gezegd een netelige kwestie.

    Misschien volgen er, afhankelijk van de resultaten, soortgelijke initiatieven na de introductie van de neushoornobligatie. Een olifantenobligatie wellicht, of een leeuwen- of tijgerobligatie? Het rendement lijkt misschien wat karig, maar het dividend voor de natuur zou wel eens een klapper kunnen zijn.

    Lees ook:

  • Van wolf tot lammergier – de comeback van wilde dieren in Duitsland

    Van wolf tot lammergier – de comeback van wilde dieren in Duitsland

    Ze golden als uitgestorven, maar duiken nu weer op. Veel door de mens uitgeroeide wilde dieren worden de laatste decennia fanatiek geherintroduceerd. Sommige slagen er zelfs in op eigen kracht terug te keren.

    Over soortbescherming hoor je bijna alleen slechte berichten. Op de wereldconferentie over biodiversiteit die op 11 oktober begint, zal het weer gaan over de razendsnelle verdwijning van dieren en planten, en over de vraag of en hoe die zich nog laat stoppen. Ook Duitsland is zwaar getroffen door soortensterfte. Maar er zijn ook voorbeelden van positieve ontwikkelingen. Best wat diersooren die verdwenen waren, zijn nu weer terug. Een overzicht van lammergier tot wolf.

    Lammergier of baardgier (Gypaetus barbatus). Sinds juni leven er weer twee lammergieren in Duitsland. De twee jonge vogels, ‘Bavaria’ en ‘Wally’, werden uitgezet in het Nationale Park Berchtesgaden. In de komende tien jaar zullen er elk jaar drie of vier volgen, in de hoop dat ze ooit gaan broeden. Met een spanwijdte van de vleugels van bijna drie meter behoren de lammergieren tot de grootste vliegende vogels die er zijn. 

    Er werd op ze gejaagd omdat men dacht dat ze vee, wild en zelfs kleine kinderen doodden

    Dat de vogels aan het begin van de twintigste eeuw in het hele alpengebied zijn uitgestorven had veel te maken met de angst van de mensen. Als ‘lammergier’ werd er op ze gejaagd omdat men ze toedichtte dat ze vee, wild en zelfs kleine kinderen wegsleepten en doodden. In werkelijkheid eten lammergieren uitsluitend aas, vooral beenderen van dode dieren, die ze van grote hoogte op de rotsen laten vallen om ze tot behapbare stukken te verkleinen. Tegenwoordig is het grootste gevaar voor de streng beschermde dieren dat ze zich vergiftigen met resten loodhoudende munitie in de dierkadavers die ze eten.

    Bearded vulture Gypaetus barbatus also known as the Lämmergeier Giants Castle KwaZulu Natal South Africa. 43179852440 Wikimedia 2
    © Lammergier

    Bever (Castor fiber). In de negentiende eeuw waren er nauwelijks nog bevers in Duitsland. Het kanaliseren van rivieren verwoestte hun habitat; bovendien werden de dieren bejaagd om hun vlees en hun pels. Slechts 190 exemplaren overleefden langs de Mittel Elbe. Een consequente bescherming en een hervestigingsprogramma hebben ertoe geleid dat er op dit moment weer ongeveer 40.000 bevers leven in Duitsland.

    Castor fiber vistulanus2 Wikipedia
    © Wikimedia Commons

    Bruine beer (Ursus arctos). De bruine beer geldt in Duitsland als uitgestorven sinds het laatste exemplaar in 1835 in de Alpen werd doodgeschoten. Maar sinds het jaar 2019 wordt weer een solitaire bruine beer gezien in Beieren, de laatste keer bij Garmisch-Partenkirchen. Het dier is waarschijnlijk vanuit het Italiaanse Trentino via Tirol Beieren ingekomen. Laten we hopen dat deze beer niet hetzelfde lot wacht als Bruno, die in het jaar 2006 uit Italië was gekomen. Bruno werd nog hetzelfde jaar dood geschoten omdat hij zich vaak in de buurt van huizen ophield en ook schapen en kippen doodde.

    Eland (Alces alces). Minstens tien elanden zwerven door Duitsland. De grootste herten ter wereld worden tot drie meter lang en hebben een schofthoogte van tot 2 meter 30. Rond het jaar 1940 verdwenen de laatste elanden uit Duitsland. Een van de hoofdoorzaken was het verdwijnen van hun leefgebieden. Elanden voelen zich het best thuis in vochtige gebieden zoals loof- of moerasbossen, waarvan er veel drooggelegd en bebouwd werden, of in akkers veranderd. 

    Hoeveel elanden op dit moment in Duitlsand leven is niet precies bekend, omdat de meldingen niet consequent worden geregistreerd. De meeste elanden zijn er in Brandenburg, maar ook in Mecklenburg-Vorpommern, Sachsen, Sachsen-Anhalt en Thüringen worden regelmatig elanden gespot. Veel van deze dieren zijn binnengekomen uit Polen. In Tsjechië zijn er ook elanden die af en toe de grens oversteken naar Beieren.

    A male moose takes a rest in a field during a light rainshower Wikimedia
    © Wikimedia Commons

    Grijze zeehond (Halichoerus grypus). Kegelrobben kunnen 2,5 meter lang en 330 kilo zwaar worden. Daarmee zijn ze de grootste in Duitsland levende roofdieren. Vissers beschouwen de robben als concurrenten, er werd meedogenloos op de dieren gejaagd, tot ze in het jaar 1920 vrijwel uitgeroeid waren. Daarna werden ze aan de Duitse kusten lange tijd niet meer gezien. Pas sinds de jaren negentig zijn ze dankzij jachtverboden en de vermindering van giftige stoffen in het milieu weer terug aan de stranden van de Noord- en de Oostzee. Sinds het jaar 2004 ook in het Greifswalder Bodden.

    Halichoerus grypus He3 Wikimedia 2
    © Wikimedia Commons

    Kraanvogel (Grus grus). Aan het begin van de jaren zeventig waren er vrijwel geen kraanvogels meer in Duitsland. Intussen broeden hier weer ongeveer 11000 paren van deze vogelsoort, die met een hoogte tot 1 meter 30 en een vleugelspanwijdte tot 2 meter 45 groter zijn dan witte ooievaars. Voordat kraanvogels paren, dansen ze met elkaar. Daarbij springen mannetjes en wijfjes met gespreide vleugels rond, en lopen in kringen en slingeren stukken van planten de lucht in. 

    Dat hun aantal in Duitsland al jaren achtereen stijgt, is het succes van beschermingsprogramma’s

    Behalve de vogels die hier broeden, vliegen er elk jaar zo’n 400.000 over Duitsland, op weg naar hun winterverblijven in Zuid-Europa en Noord-west Afrika. Vele van hen landen op verzamelplaatsen in het Noord-Duitse laagland om te rusten. Dat hun aantal in Duitsland al jaren achtereen stijgt, is het succes van beschermingsprogramma’s waarin de leefgebieden van de grote loopvogels worden hersteld: vochtige gebieden waar ze onder andere kikkers, kleine visjes, slakken en wormen kunnen vinden en hun jongen kunnen grootbrengen in een nest dat door water omringd en daardoor goed beschermd is.

    Common crane grus grus wikipedia 1
    © Wikimedia Commons

    Kortsnuitzeepaardjes (Hippocampus hippocampus). Met de zeegrasvelden verdween waarschijnlijk in de jaren dertig van de vorige eeuw ook het kortsnuitzeepaardje uit de Noordzee. De beenvissen hebben zeegras nodig om zich aan vast te klampen en niet door de stroming meegesleept te worden. Toen het zeegras werd vernietigd door een schimmel hadden de zeepaardjes geen plek meer waar ze konden leven.

    Door de warmere Noordzee overleven meer dieren waarschijnlijk de winter

    Sinds enkele jaren zijn er weer meer zeepaardjes in de Noordzee. Waar dat door komt, is niet helemaal duidelijk, want zeegrasvelden zijn er nog steeds niet. Twee fenomenen komen in aanmerking: enerzijds verspreidt zich sinds enige tijd Japans bessenwier, een invasief bruinwier, in de Noordzee en vormt dichte onderwaterwouden. Voor de zeepaardjes zouden die een vervanging voor het zeegras kunnen zijn. Anderzijds is het water van de Noordzee door de klimaatverandering warmer geworden. Daardoor overleven meer dieren waarschijnlijk de winter.

    Lynx (Lynx lynx). Ooit leefden er overal in de wouden van Duitsland lynxen. Maar al omstreeks 1850 waren de grote katten verdwenen. Mensen jaagden erop, en bovendien was het aantal van hun prooidieren sterk geslonken. Hoewel de omstandigheden intussen helemaal niet meer zo slecht zijn, heeft de lynx moeite met zijn terugkeer naar Duitsland. Ondanks meerdere hervestigingsprojecten stagneert het aantal lynxen. ‘Dat komt onder andere doordat de natuurlijke sterfte onder jonge dieren extreem hoog is,’ zegt Moritz Klose, die bij het WNF leiding geeft aan het programma voor de terugkeer van wilde dieren naar Duitsland en Europa. Minder dan een derde wordt twee jaar oud. Veel jonge dieren verhongeren omdat ze niet genoeg prooien vangen, andere sterven aan ziektes of worden overreden.

    In het Pfälzer Wald steunen nu zelfs de jagers de terugkeer van de lynx

    In Duitsland zijn er op dit moment drie lynxpopulaties, die stuk voor stuk met moeite werden opgebouwd. De oudste populatie leeft in Beieren en in het Oberpfälzer Wald, waar de dieren al in de jaren zeventig weer uitgezet werden. In 2006 volgde een project in de Harz, in 2016 een in het Pfälzer Wald. De projecten lopen niet allemaal even goed. ‘Aan de lynx wordt duidelijk hoe belangrijk het is om de bevolking er tijdig bij te betrekken,’ zegt Klose. In het Pfälzer Wald informeerden dierenbeschermers de bevolking lang voordat de dieren daadwerkelijk werden uitgezet, en maakten reclame voor de roofkatten. Daar steunen nu zelfs de jagers de terugkeer van de lynx. In het Bayerische Wald daarentegen werden de dieren in de jaren zeventig eenvoudig vrijgelaten. Ook daarom staan veel mensen daar sceptisch tegenover de lynx. Nergens worden zoveel dieren geschoten als daar, ondanks het verbod. 

    Lynx lynx 2 Martin Mecnarowski wikimedia 1
    © Wikimedia Commons

    Zeearend (Haliaeetus albicilla). Het wapendier van Duitsland werd in de negentiende eeuw beschouwd als een voedselconcurrent van de mens en zo fanatiek bejaagd dat de zeearend omstreeks 1900 zo goed als uitgestorven was. Toen de jacht aan het begin van de twintigste eeuw verboden werd, herstelde de populatie zich aanvankelijk, maar stortte in de jaren vijftig en zestig weer in. Het insecticide DDT hoopte zich op in vissen, en zo kregen de arenden het ook binnen. DDT maakte de eierschalen zo dun dat ze braken bij het broeden. Sinds DDT werd verboden, neemt het aantal zeearenden weer toe. Intussen leven er in Duitsland ongeveer zeshonderd broedparen, de meeste in Mecklenburg-Vorpommern.

    Steur (Acipenser). Nog in de negentiende eeuw zaten er veel steuren in de Noordzee, de Oostzee en in veel rivieren. Steuren zijn echte trekvissen die in de zee leven, maar om te paaien de rivieren in zwemmen om hun eitjes te leggen in zoetwater. Voor deze trektochten hebben ze rivieren nodig die niet gekanaliseerd zijn, waarin de weg niet versperd is door stuwen of waterkrachtcentrales. Ook scheepvaart en overbevissing hebben ertoe bijgedragen dat de vissen, die langer dan 3 meter kunnen worden, in Duitsland zijn uitgestorven. In 1969 werd het laatste exemplaar gevangen in de Eider.

    Of die projecten succesvol zijn zal pas blijken als de eerste volwassen steuren weer terugkeren in ‘hun’ rivier

    Sinds 2007 worden gekweekte jonge steuren uitgezet in de Oder – tot op heden meer dan twee miljoen. Een soortgelijk project loopt sinds 2008 in de Elbe. Of die projecten succesvol zijn zal pas blijken als de eerste volwassen steuren weer terugkeren in ‘hun’ rivier, om te paaien. Tussen beide gebeurtenissen ligt meer dan een decennium: mannelijke steuren worden pas op de leeftijd van twaalf jaar geslachtsrijp, de vrouwtjes pas op hun vijftiende.

    Acipenser oxyrhynchus Wikipediajpg 2
    © Wikimedia Commons

    Kaalkopibis (Geronticus eremita). De kaalkopibis is wereldwijd een van de ernstigst bedreigde vogelsoorten. De opvallende dieren met de lange, sikkelvormige snavel en de ruige veren in de nek waren in Duitsland en in heel Midden-Europa al in de zeventiende eeuw uitgestorven. De mens heeft die vogels, die als een delicatesse golden, gewoon opgegeten. Tegenwoordig bestaan er in Duitsland meerdere hervestigingsprogramma’s voor kaalkopibissen.

    De dieren vallen ook op door hun gedrag: als twee kaalkopibissen elkaar tegenkomen, dan leggen beide vogels de kop in de nek, buigen voor elkaar en begroeten elkaar met hese kreten. Een probleem is dat kaalkopibissen trekvogels zijn die de route naar hun winterkwartier normaal gesproken van hun ouders leren. Maar in de projecten worden ze door mensen grootgebracht. Er is een oplossing, maar die is extreem duur. Als hun opvoeders voor de dieren uit vliegen in een licht vliegtuigje en hun zo de weg wijzen, vliegen de jonge kaalkopibissen achter ze aan; hebben ze de vluchtroute eenmaal geleerd, dan vinden ze in het voorjaar de weg naar Duitsland op eigen kracht terug.

    Northern bald ibis Geronticus eremita Wikimedia 1
    © Wikimedia Commons

    Wilde kat (Felis silvestris). De Europese wilde kat leeft vooral in bossen. Hij is sterker dan de huiskat en heeft in verhouding tot het lichaam langere poten. De dieren zijn uiterst schuw; aan het eind van de 1negentiende eeuw waren ze zo goed als verdwenen uit Duitsland. De redenen daarvan zijn onduidelijk. Lange tijd gold de jacht als de voornaamste reden, maar volgens recentere inzichten zou ook een epidemie tot de verdwijning geleid kunnen hebben. Tegenwoordig leven er weer enkele duizenden exemplaren in Duitsland.

    Wisent (Bison bonasus). De laatste vrij levende wisent werd in 1927 geschoten in de Kaukasus; uit Duitsland waren de dieren al lang voordien verdwenen, vermoedelijk omstreeks het jaar 1700. Wereldwijd overleefden nog slechts 54 van deze reusachtige wilde runderen in gevangenschap. Met een lengte tot wel 3 meter en een schofthoogte tot 1 meter 95 zijn zij de grootste landzoogdieren van Europa. Enkele wisenthouders slaagden er samen in de dieren in het wild uit te zetten. Volgens de meest recente editie van het wisent stamboek van 2019 leven er wereldwijd 6244 wisenten in het wild. 

    De wisenten staan onder andere bij particuliere bosbezitters niet in een goed blaadje

    Ook in Duitsland werden in het jaar 2013 acht wisenten uitgezet: in het Roothaargebergte in Noordrijn-Westfalen. ‘Het project is echter geen groot succes,’ zegt Moritz Klose. De wisenten staan onder andere bij particuliere bosbezitters niet in een goed blaadje omdat ze ook scheuten van loofbomen eten, en vooral in de winter, als er geen gras is, de schors van bomen afschillen. Er leven momenteel zesentwintig dieren in het Rothaargebergte.

    Flachlandwisent Bison bonasus bonasus Wikimedia 2
    © Wikimedia Commons

    Wolf (Canis lupus). De wolf is een van de weinige terugkeerders die hun comeback in Duitsland op eigen kracht hebben gemaakt – helemaal zonder hervestigingsprojecten. Het was voldoende om de jacht op de dieren te verbieden. Nadat de wolven in het jaar 1990 in Duitsland een beschermde diersoort werden, trokken eerst enkele exemplaren vanuit Polen ons land in. In het jaar 2000 – bijna 150 jaar na de uitroeiing in Duitsland – kwamen op een oefenterrein van het leger in de Lausitz de eerste welpen ter wereld. Intussen leven in Duitsland 128 roedels, 35 wolvenparen en tien solitaire dieren.

    Meer dan driehonderd wolven zouden sinds het jaar 1999 zijn overreden

    Of de wolven verder beschermd moeten worden is omstreden onder de bevolking. Ze verscheuren vooral reeën, herten, wilde zwijnen en kleine gewervelde dieren – maar ook weidedieren als schapen en kalveren. Vanwege de conflicten tussen wolf en mens komt het steeds opnieuw voor dat wolven illegaal gedood worden. Volgens opgaven van het WNF zijn sinds de terugkeer van de wolf naar Duitlsand meer dan veertig exemplaren illegaal gedood. ‘Maar het grootste gevaar voor de wolf is het verkeer,’ zegt Moritz Klose. Meer dan driehonderd wolven zouden sinds het jaar 1999 zijn overreden. 

    Canis lupus Europe Canis lupus 2
    © Wikimedia Commons


    Lees ook: